Logo
Het is nu 13 apr 2024, 20:26



Dit onderwerp is gesloten, je kunt geen berichten wijzigen of nieuwe antwoorden plaatsen  [ 1 bericht ] 
 beschrijving : oorlogsvoering en wapens in de middeleeuwen 
Auteur Bericht
Avatar gebruiker

Geregistreerd: 22 jul 2009, 18:22
Berichten: 7409
Woonplaats: langs de ijssel
 beschrijving : oorlogsvoering en wapens in de middeleeuwen
Afbeelding

De middeleeuwen
De middeleeuwen brachten een heel andere manier van leven mee. Door de jaren heen is het oorlog voeren geëvolueerd. Ondermeer door de komst van de kruistochten is het bestaan van de ridder een feit geworden. Ook is de structuur van de dorpen veranderd en zijn de kastelen geëvolueerd. De talrijke uitvindingen resulteerden tot als maar ingewikkeldere tactieken.


Manieren van oorlog voeren
Burchten en kastelen

Vluchtburchten
Tussen 800 - 1000 leefden de mensen op het platteland in kleine boerderijtjes. Soms lagen er boerderijtjes dicht bij elkaar. Dit noemt men dan een nederzetting. De mensen voelden zich er niet zo heel erg veilig, omdat rondtrekkende soldatenbendes en rovers de
boerenbevolking plunderden. Daarom ging men zich beschermen door zogenaamde
vluchtburchten te bouwen. Men zocht een geschikt stuk land uit en groef er een gracht
omheen. Het zand dat uit de gracht kwam werd gebruikt om de oever op te hogen. Zo
ontstond een muur van aarde. Boven op die aarden muur kwam een rij puntige palen te
staan van soms wel 2 meter hoog. Als er gevaar dreigde trokken de mensen uit de buurt
hiernaar toe. Zij namen alles wat men maar kon dragen mee. Ook het vee en voedsel werd
meegenomen. Was het gevaar voorbij, dan ging iedereen weer terug naar zijn eigen boerderij.
Ook de rijke boeren begonnen hun huis te versterken. Op een afstand van hun huis liet men
een gracht graven en het zand werd weer gebruikt om een aarden wal te maken met hierop
weer houten palen. Als er gevaar dreigde gingen de kleine boeren uit de omgeving met hun
gezinnen naar de “ rijke buurman”. Daar waren ze veilig en hielpen mee de burcht te
verdedigen tegen de vijand. Deze rijke boeren gingen zich steeds minder bemoeien met het
boer zijn, maar met het beschermen van de boeren uit de omgeving tegen roversbendes. De
kleine boeren betaalden hiervoor door een gedeelte van hun oogst af te staan of ervoor te
betalen. De rijke boer werd hierdoor steeds rijker en werd soms de heerser van een bepaalde streek.
Zo werd hij een vechter ofwel een ridder.

Het mottekasteel
Rond 1000 gingen de eerste ridders hun versterkte huizen bouwen op een heuvel. Deze
kastelen waren nog erg eenvoudig. De heuvel ontstond door de aarde die men uit de gracht
haalde en waarmee men een hoge heuvel maakte. Bovenop de heuvel stond een houten
toren. Een dergelijk heuvel met daarop een donjon of woontoren, waar de kasteelheer naar
toe kon vluchten, noemt men een mottekasteel. Hieromheen werd een aarden wal met palen
gemaakt en een gracht gegraven. Daarbuiten waren de woningen van de bedienden en de
soldaten. Hieromheen lag weer een wal met een gracht. Vanuit de toren kon men zich goed
verdedigen, omdat deze heel erg hoog was. Het was voor de vijand heel moeilijk om een
dergelijk hoge heuvel te bestormen.
Later bleek dat een verdedigingstoren toch niet zo veilig was. Dit kwam, omdat deze van
hout gemaakt was en daardoor niet zo heel erg stevig. Daarom ging men deze van steen
maken. Onderin bevond zich een kelder waar de voorraden werden opgeslagen. Daarboven
was het woonverblijf waar werd gegeten, geslapen, gekookt en gespind. Als de edelman dan
later wat meer geld had, groeide de donjon vaak uit tot een groter kasteel.
Afbeelding Afbeelding



De ronde waterburcht (ringmuurburcht)
Vanaf ongeveer 1100 na Chr. werd de houten verdedigingstoren vervangen door een stenen
toren en de palissade door een stenen ringmuur. Hierin werden uitkijktorens gebouwd en
daaromheen weer een gracht met een ophaalbrug. In de uitkijktorens en de muren werden
gaten aangebracht van waaruit men op de vijand kon schieten. Een dergelijk burcht noemen
we een ringmuurburcht.
De heer en zijn familie woonden op de hoofdburcht. De bedienden woonden op de
voorburcht, die door een ophaalbrug met de hoofdburcht was verbonden.
Het nadeel van een mottekasteel was dat je die kon ondermijnen. Als je achter de muren
stond dan kon je niet zien wat de vijand vlak onder de muur aan het doen was. Daarom ging
men in ons land al snel over tot het bouwen van een waterburcht.
Afbeelding

De vierkante waterburcht
In het begin waren de torens en muren rond, maar deze waren moeilijk te verdedigen. Door
de ronde vorm konden de verdedigers maar een klein stuk van de muur zien. Na 1250 na
Chr. zien we in ons land de vierkante waterburcht ontstaan met op de hoeken ronde of
vierkante torens. Je kon nu langs de muren kijken en door schietgaten met pijl en boog de
aanvallers verdrijven.
Door de uitvinding van het buskruit en de kanonnen waren de muren niet meer bestand
tegen deze aanvalswapens. De tijd van de verdedigbare woonplaats was voorbij. De kastelen werden daarom verbouwd tot landhuizen. Dit zijn dan de kastelen, zoals wij ze nu nog kennen.
Afbeelding


De algemene tactieken en bewapening

Samenstelling van het leger
Bij oorlog in de Middeleeuwen denkt men vaak aan ridders. Deze klasse der ridders is een
sociale en militaire elite, maar slechts zelden vormen alleen ridders een leger. Hoewel
kronieken alleen maar namen van aan de slag deelnemende ridders noemen, nemen niet
alleen ridders aan het gevecht deel. De waarde van voetvolk is bekend en het wordt niet
alleen ingezet voor het graven van grachten en greppels. Grote aantallen (kruis-)
boogschutters en lansiers gaan mee. De goedkoopste manier om dergelijke aantallen op te
roepen is de 'arriere-ban', de plicht van vrije mannen om de dienstplicht voor onbepaalde tijd
te vervullen. Dit zijn geen armzalige boeren met wie de oorlog niet te winnen is, maar
soldaten uitgerust met een standaard bewapening. Allen dragen een ijzeren helm en een lans, met voor de rijke vrije man een maliënkolder en voor de arme man een leren schort of 'gambeson'. In de latere Middeleeuwen worden vooral de militairen van een stad ingezet. In
de stad wordt namelijk het geld verdiend en de steden kunnen hun soldaten met goed
materiaal uitrusten.

De rol van de ridder in de slag
De middeleeuwse strijd wordt vaak beslist door persoonlijke moed en bedrevenheid van de
betrokken ridders. Zij vormen de voornaamste groep van het leger. De beslissing van de slag
ligt in handen van de ridders. Het leger is ondergeschikt aan hen. Als een ridder te voet moet
vechten wordt hij ten zeerste in zijn bewegingen beperkt. Zijn zware wapenrusting
verhindert hem te voet ten aanval te gaan. Voor het gevecht te voet dient het voetvolk
bestaande uit lansiers en (kruis-)boogschutters. Maar zij zijn niet meer het in manoeuvres
getrainde leger van de Romeinen. Zij zijn slechts hulptroepen. Het strijdros wordt zo veel
mogelijk voor de slag gespaard en de ridder heeft meestal enkele paarden bij zich, want het
paard is het meest kwetsbare onderdeel van zijn uitrusting. In latere tijden ontstaat niet voor
niets een harnas voor paarden, zodat de ridder echt de tank van de Middeleeuwen wordt.

De kracht van het leger
In het algemeen worden de cijfers over manschappen en slachtoffers in vroege oorkondes
zwaar overdreven. Tienduizenden deelnemers aan een slag is niet ongewoon. Soms echter
lijken de aantallen redelijk en hebben de geschiedschrijvers toegang tot de officiële cijfers.
Ook uit de late Middeleeuwen zijn administratieve getallen overgebleven. Maar dan kent
men de aantallen van de tegenstanders niet en worden deze ter meerdere glorie van de
overwinnaar zwaar overdreven, bijvoorbeeld vierhonderd ridders die winnen van
tachtigduizend soldaten. Het is dus verstandig de gegeven cijfers kritisch te bekijken. Bekend
is dat het aantal ridders vanwege de kosten beperkt zal zijn, terwijl het voetvolk wordt
ingeperkt door de achterblijvers die het werk op de boerderij moeten doen. De conclusie is
dat een middeleeuws leger bestaat uit honderden manschappen. Zo blijkt dat de grootste
legers voor de kruistochten tot 1125 bestaan uit twaalfhonderd ridders en negenduizend
voetsoldaten. Vaker komen legers van negenhonderd ridders en twee- tot drieduizend
voetsoldaten voor, soms slechts tweehonderd ridders. En dan te bedenken dat dit grote
operaties zijn. Duidelijk is dat zelfs het leger van de grote koningen van Engeland, Frankrijk
en het Roomse Rijk zeer zelden uit meer dan tienduizend mensen bestaat. Voor lokale heren
zoals de graaf van Gelre zal vijfhonderd man al een behoorlijk aantal zijn geweest. In latere
tijden onder de hertog van Gelre zal vijfduizend man beter kloppen

De slachtoffers
De verliezen in een oorlog zijn klein, ten minste onder de ridders. Hiervoor zijn twee
oorzaken aan te voeren. In de eerste plaats behoedt de wapenrusting van de ridder hem voor serieus letsel. Hoewel in oorkondes geregeld hoofden met speels gemak worden doorkliefd, zal dit slechts zeer zelden zijn gebeurd. Arabische bronnen na de Slag van Hattin (1187) melden dat de moslims zeer verbaasd zijn als ze merken dat de gevangen genomen ridders nauwelijks letsel hebben, terwijl hun paarden zwaar gewond zijn en niet verder kunnen vechten. Ordericus Vitalis, een twaalfde-eeuwse kroniekschrijver, meldt dat van de
negenhonderd in de Slag van Bremule betrokken ridders er slechts drie zijn gedood en maar
liefst 140 Franse ridders gevangen zijn genomen. Vitalis merkt terecht op dat dit ligt aan de
maliën die de ridders dragen. In de tweede plaats zijn gevangen genomen ridders gedurende
de gehele Middeleeuwen een fortuin aan losgeld waard. Vitalis zegt hierover dat ‘men meer
genegen is om onder de vluchtelingen gevangenen te maken dan slachtoffers’ en dat men dat doet 'uit angst voor de toorn van God en uit wapenbroederschap’. Deze motieven spelen misschien ook een rol, maar iedere ridder weet dat een levende gevangene vanwege het
losgeld veel meer waard is dan een dode vijand. Onder de minder bewapende voetsoldaten
zullen de klappen harder zijn aangekomen. Er zijn verhalen dat zij aan het eind van een slag
massaal omgebracht worden, maar dit zal niet vaak zijn voorgekomen. Onze Vitalis weet te
melden dat in de Slag van Tinchebrai (1106) bij de eerste aanval van Koninklijke ridders er
225 (zeldzaam precies) rebelse infanteristen het loodje leggen.

De tactiek in de strijd
Er zijn bewijzen dat middeleeuwse aanvoerders wel degelijk intelligente tactieken toepassen
en strategische plannen met gebruik van de omgeving maken. Middeleeuwse legers zijn wel
degelijk in staat om dergelijke plannen en tactieken uit te voeren. Maar niet iedere
aanvoerder en ieder leger beschikt over deze capaciteiten. Nagedacht wordt er uiteraard wel, want een (christelijk) mensenleven mag niet lichtvaardig op het spel gezet worden, hoe
gerechtvaardigd de strijd ook is. Bovendien zijn er nog economische bedenkingen bij het
inzetten van ridders: de uitrusting en training kosten handenvol geld. In een gemengd leger
vormen de nationale eenheden veelal de basis. Een slagorde in een oorlog kan zijn: twee
vleugels en een reserve, drie slagordes bij elkaar. De kwetsbaarheid van de paarden in de
strijd is de aanvoerders van de troepen niet onbekend. Zij gebruiken daarom hun
boogschutters en lansiers vooral om de paarden van de eigen ridders te beschermen en
andermans paarden schade toe te brengen. In het gevecht gaan de boogschutters voor de
ridders uit en brengen ze de vijand zo veel mogelijk schade toe. Wel blijven ze zo dicht
mogelijk bij de lichte ruiterij om snel in de bescherming daarvan te kunnen worden
opgenomen. Voetvolk bewapend met zwaarden en pieken neemt de rol van de voorhoede
op zich als er hindernissen opdoemen die de ruiterij tegen kunnen houden. De ridders
trekken voorwaarts op hun paarden en schenken weinig aandacht aan een rechte aanvalslinie.
Zij rijden langzaam in de richting van de vijand, die eveneens langzaam dichterbij komt. Op
ons zal dit overkomen als een vertraagde film. Uiteindelijk mondt dit uit in een gevecht van
man tegen man. Slechts zelden komt het in de Middeleeuwen tot een veldslag. Het risico op
een gevangennamen is daarvoor te groot. Het is geen wonder dat de oorlog zich tot de
veertiende eeuw beperkt tot de belegering van kastelen. Dit ligt uiteraard ook aan de aard
van het middeleeuwse leger. Opgericht op feodale grondslagen doen de soldaten slechts kort dienst. Zij kunnen niet voltijds soldaat zijn, want er wacht ook werk op de boerderij.
Betaalde krachten, hetzij professionele ridders, hetzij huurlingen, kosten een klein fortuin om
in te huren en te onderhouden. De heren zijn onwillig om hun leger de oorlog in te sturen.
Daarbij komt nog dat bijna geen enkele veldslag beslissend is. Dit komt door de rol van het
kasteel als versterkte plaats. Dit is de sleutel tot het land en dient veroverd te worden.

De bewapening & Bespantsering
In de achtste en negende eeuw draagt men een maliënkolder of byrnie . Deze naam blijft een tijd bestaan voor alle andere op hemden gelijkende beschermende kleding. De kunst van de vervaardiging van maliën, uit kleine metalen ringetjes “geweven” hemden, is nooit verloren gegaan. Uit 773 stamt een beschrijving van koning Karel de Grote die zijn dijen beschermt met ijzeren maliën. De maliën zijn verscheidene eeuwen de belangrijkste bepantsering van de krijgsman. De harnassen van zware en grote metalen platen ontstaan in de twaalfde eeuw, als meer bescherming nodig is tegen wapens met spitse punten, zoals pijlen en hellebaarden.
Door deze voortdurende veranderingen bestaat er eigenlijk geen gelijkvormige bewapening
op enig tijdstip. Verouderde en aan de nieuwe eisen destijds aangepaste soorten bewapening bestaan naast elkaar. Te meer omdat ijzer een dure grondstof is en vaak wordt hergebruikt.
Ook is er een groot verschil tussen de ridder, meestal van goede komaf, en de eenvoudige
(boeren)soldaat.

De helm
Helmen behoren al eeuwenlang tot de uitrusting van de soldaat. Vooral in de Middeleeuwen
met haar vele slagwapens is de helm een onmisbaar attribuut. Tot de elfde eeuw bestaat er
eigenlijk maar één type helm, de spangenhelm . Dan komen er gevarieerde types op de
markt, bijvoorbeeld de spitsconische helm. Er wordt voortdurend op het thema helm
gevarieerd, omdat de aanvalswapens steeds zwaarder uitgevoerd worden. In de veertiende
eeuw verschijnen voor het eerst op de markt. Tot het begin van de vijftiende eeuw is de
helm het enige geheel uit ijzer vervaardigde onderdeel van de wapenrusting. Hierdoor staat
de helmsmid al vroeg in de Middeleeuwen in hoog aanzien. Middels de helm is vaak te
duiden uit welke tijd in de Middeleeuwen een bepaalde afbeelding komt. Bepaalde types
helm volgen elkaar in de tijd op. Toch is het gevaarlijk alleen op het type helm af te gaan.
Helmen zijn een kostbaar bezit en worden in de familie van generatie op generatie
doorgegeven. Zij gaan derhalve lang mee, zodat van een afbeelding uit de Middeleeuwen
hoogstens te zeggen is dat die niet uit een bepaald jaar afkomstig is, omdat dat type helm dan nog niet bestaat.
Afbeelding

Het schild
Een der oudste verdedigingswapens van de krijgsman is het . Het wordt steeds aan de
linkerarm gedragen om met de vrije rechterhand het aanvalswapen te kunnen hanteren.
Evenals bij de helm is ook hier een ontwikkeling in vorm en functie te bespeuren. Ook is het
schild van invloed op het ontwerpen en bouwen van verdedigingswerken. De onbeschermde
kant wordt dan het meest blootgesteld. In de dertiende eeuw wordt het schild voor het eerst
beschilderd met het blazoen van de ridder. Deze versiering zal een hoge vlucht nemen en
een aparte wetenschap worden; de heraldiek.

Het zwaard
Tot de oudste wapens van de krijgsman behoort het, dat in de Middeleeuwen een van de
belangrijkste wapens voor de strijd van man tegen man is. De vroegmiddeleeuwse zwaarden
ontwikkelen zich tot geduchte slagzwaarden en stootzwaarden in de late Middeleeuwen.
Deze ontwikkeling wordt mede ingegeven door de steeds betere bescherming middels
maliën en plaatwerk. De vorm van de kling wordt steeds spitser en de pareerstang wordt
volledig ontwikkeld. De knop aan het eind zorgt voor een betere wendbaarheid. De
aanzienlijke sterkte der wapenrusting van de ridder maakt deze vrijwel onkwetsbaar voor de
slagwapens van de voetsoldaten, waardoor deze in het gevecht op de korte afstand sterk in
het nadeel zijn. Om dit nadeel op te heffen worden de boorzwaarden ontwikkeld.
Afbeelding

De hellebaard
De strijdbijl, het zwaard en de dolk reiken niet hoog genoeg om een ernstige bedreiging voor
een man te paard te vormen. Al in de dertiende eeuw worden echter stokwapens opgenomen in de algemene bewapening der voetsoldaten, die hierdoor tot geduchte en in vele gevallen zelfs superieure tegenstanders van de ruiters worden. Onder stokwapens worden de op lange houten stokken of schachten gemonteerde wapens verstaan, die voor houwen, steken of beide gebruikt worden. Het bekendste stokwapen is de hellebaard. Het is een in hoofdzaak tot houwen bestemd stokwapen. In de dertiende eeuw wordt gestreefd naar een gecombineerd houw- en stootwapen. Aanvankelijk is de strijdbijl, de scramasax, nog in de hellebaard te herkennen. In de veertiende eeuw wordt een sterke haak aan de rugzijde geplaatst die er onder andere voor dient om ruiters van hun paard te trekken of hun
wapenrustingen te doorboren. Dat de hellebaard een verschrikkelijk wapen is, blijkt wel uit
beschrijvingen die melden dat “ros unde man diu beide” worden doorkliefd. De wonden van
dit wapen moeten inderdaad vreselijk zijn geweest.
Afbeelding

De goedendag
Een belangrijk stokwapen is de ‘godendac’. De goedendag wordt al vroeg beschouwd als een woordspeling. Waarschijnlijk moet men het lezen als “goden dac”, of een dolk van goede
kwaliteit; vergelijk de Engelse “dagger”. De goedendag is een dolk van goede kwaliteit met
sterke drie- of vierkante kling, gemonteerd op een houten schacht. Het is dus een eenvoudig
maar doeltreffend stokwapen. Het wordt voornamelijk door boeren gebruikt. Als slagwapen
heeft men nog beschikking over de morgenster. Dit wapen dat vaak wordt verward met de
goedendag bestaat uit een houten schacht met een verdikt en met scherpe ijzeren punten
beslagen uiteinde. Het is een slagwapen en zijn doelmatigheid wordt bepaald door zijn
gewicht en het aantal scherpe punten.

Pijl en boog
Onder de bogen die gedurende het grootste gedeelte van de Middeleeuwen in Europa
worden gebruikt kunnen we twee typen onderscheiden. Het eerste type is de korte boog van
90 tot 100 cm lengte, die zowel door voetsoldaten als ruiters wordt gehanteerd. Het tweede
type, de lange handboog, kan door zijn grote lengte van 160 tot 170 cm uitsluitend door
voetsoldaten worden gebruikt. De lange boog schoot verder dan de korte. Op een afstand
van circa 90 m waren zijn pijlen met stalen punten dodelijk. Er bestaan diverse types van de
kruisboog. De bekendste is de ‘tweevoeter’. Het spannen van de hoornen boog gebeurt met
behulp van de spanhaak (een soort stijgbeugel), die aan een gordel om het middel van de
kruisboogschutter hangt. Men spant de kruisboog hiermee door zowel het bovenlichaam als
de gebogen benen in de stijgbeugel met kracht te strekken. Hoewel hiermee slechts één of
twee schoten per minuut gelost kunnen worden, is het door zijn zwaardere pijlen en de
grotere schotsafstand een doelmatiger wapen dan de handboog. Het vak van
kruisboogschutter is veeleisend en vergt veel vaardigheid, maar daar staat tegenover dat de
soldij navenant is. Zij verdient in de twaalfde eeuw ongeveer tweederde van wat een ridder
verdient. Bovendien wordt zijn kruisboog door de werkgever gerepareerd en worden pijlen
gratis verschaft.

De stormram
Voor het maken van een bres in de muur dienen stormrammen. De aanvallers rollen daartoe
een machine, beschermd door een stevig dak, tot aan de muur, waarna zij in het inwendige
een enorme balk met behulp van een windas naar achteren brengen, om hem vervolgens met een geweldige zwaai tegen de muur te laten slaan. Wanneer deze balk steeds weer slaat, maakt het ieder metselwerk los. Vaak is de kop van de balk verstevigd met ijzerwerk. Deze machine is een geducht gevaar, waartegen vrijwel niets uit te richten is.

De kat
Evenmin niet te onderschatten is het ondergraven van de muren. Ter bescherming van de
gravers worden katten gebruikt. Dit bestaan uit lichte, lage en langwerpige constructies, die
aan alle kanten meestal uit hout of gevlochten twijgen bestaan. De enige verdediging
hiertegen is ze in brand te schieten.

De evenhoge
Vervaarlijk ziet de evenhoge er uit. Deze belegeringstoren is even hoog als de muur van de
vesting. Meestal bestaat een dergelijke toren uit drie of meer verdiepingen; hij wordt door
timmerlieden uit de legertros ter plaatse uit hout vervaardigd. Dit gevaarte wordt tegen de
vijandelijke vest gerold, waarna de belegeraars op de muur springen. Om het in brand
schieten van een evenhoge te voorkomen wordt deze dikwijls aan de buitenkant nog bekleed
met huiden, die nat gehouden worden.

Werpmachines
In de Middeleeuwen hebben bij een belegeringsoorlog vooral de werpmachines (blijde en
trebuchet) een zeer belangrijke rol vervuld. Deze machines zijn als voorlopers van het
geschut te beschouwen. Om buiten het bereik van de pijlen van de verdedigers te blijven, die
vanaf hun muren toch ongeveer 250 meter halen, moet de werpafstand beduidend groter
zijn. Bedenk dat als projectielen zowel zware als kleine stenen (hagel), brandende vuurtonnen en bijenkorven, maar ook kadavers van dieren, inhoud van latrines en andere ziekte verspreidende voorwerpen in de belegerde vesting geworpen worden. Dit geeft een duidelijk inzicht in de doeltreffendheid van deze werpmachines. Ook plaatsen de verdedigers op de muren en torens werpmachines, maar deze kunnen door de beschikbare ruimte meestal slechts gering in aantal en beperkt van afmetingen zijn.

De blijde
De bekendste werpmachine die ook in De Graafschap wordt gebruikt is de blijde. De blijde
behoord tot het hevelgeschut. De werpkracht wordt verkregen door een soort wip. Aan een
uiteinde bevond zich een zwaar gewicht en aan de andere zijde de zogenaamde schoen. Dit
werpgeschut werpt het meest nauwkeurig, omdat het gewicht steeds gelijkmatig werkt. Met
deze machine kan de schutter, zoals een middeleeuwse bron ons meldt, een naald raken. Er
zijn nog drie soorten hevelgeschut, maar deze worden voornamelijk bij grote belegeringen,
door de hoogste heren, gebruikt en kwamen in Gelre bij hoge uitzondering voor.

De donderbus
Het buskruit, aanvankelijk donrecruyt (donderkruit) genoemd, wordt halverwege de
dertiende eeuw ontdekt en in Europa vanaf het begin van de veertiende eeuw als
aandrijfmiddel gebruikt voor het verschieten van projectielen vanuit een vuurwapen. De
Chinezen gebruiken het kruit al om kleiballen uit een aan een kant gesloten bamboebuis weg
te schieten. Arabieren verbeteren het systeem door meer kruit te nemen en een buis van ijzer te maken. In de eerste helft van de veertiende eeuw zou de vervaardiging en het gebruik van vuurwapens zich langzaam door Europa verspreiden. In 1346 verschijnen de eerste donderbussen, ook wel pothonden genoemd, in Nederland. De eerste geschutsoorten zijn meestal zeer gering van afmeting en hebben de vorm van een vaas of pot. Bij het afvuren worden ze in het zand gesteund en zo geplaatst, dat ze in een hoek van 45° staan. Het zijn voorladers, dus eerst gaat het kruit erin. Daarna slaat men een houten prop in de vernauwing en daarvoor komt het projectiel te liggen. Het kruit wordt ontstoken door een brandende lont of gloeiend stuk ijzer bij het zundgat te houden. Dus zowel het projectiel als de houten prop wordt weggeschoten.

De haakbus
Uit dit eerste geschut worden de eerste handwapens, de hand- en haakbussen, ontwikkeld,
waarna tevens de naam donrecruyt wordt vervangen door buskruit. Door de primitieve
bewerking en de onzuiverheid van de bestanddelen is het buskruit in de veertiende eeuw
echter nog zeer onstabiel, zodat zijn kracht en daarmee de baan van het projectiel niet exact
is te bepalen. Toch moet de uitwerking van de heftige explosie, de felle lichtflits en de sterke
rookontwikkeling op de bijgelovige middeleeuwer niet worden onderschat. De paniek die
ontstaat bij het aanschouwen van het vijandelijke leger voor de eigen vertrouwde poorten is
de donderbus de nieuwigheid, die alle vertrouwen in een goede afloop van de oorlog doet
verdwijnen.

De wapens en tactieken

Leger en militie
In geval van oorlog was het de verantwoordelijkheid van de graaf om een leger samen te
stellen. Beroepslegers bestonden niet en de graaf moest dus beroep doen op zijn vazallen om een leger te vormen. In 1297 telde het feodale leger van de graaf een duizendtal ridders en ongeveer tweeduizend man voetvolk. Maar zij werden verslagen in de slag van Bulskamp bij Deurne op 20 augustus 1297. Daarna koos de meerderheid der Vlaamse ridders de Franse kant. Vanaf 1300, bij de volledige bezetting van Vlaanderen door de Fransen, was er van een feodaal Vlaams leger geen sprake meer, de graaf zat immers gevangen in Frankrijk.
De stedelijke milities echter bleven wel bestaan. Zij konden opgeroepen worden voor dienst
in het feodale leger, maar in 1297 had de graaf geen goede verstandhouding met de steden.
Daarom stuurden zij hem slechts het absolute minimum aan troepen. Bij de bezetting in
1300 werd de getalsterkte van de milities door het nieuwe Franse bestuur beperkt. Maar de
meeste poorters en ambachtslieden bezaten een eigen wapenuitrusting, zodat in de praktijk
een stad nog steeds het grootste deel van haar weerbare mannen kon oproepen. En dat bleek ook in 1302!

Het apentuig
Het arsenaal van de middeleeuwse strijder was uitgebreid en beperkt tegelijk. De persoonlijke wapens van de strijders waren blanke wapens in de meest diverse vormen. In 1302 waren er nog geen vuurwapens (die verschenen pas zo een 30 jaar later op het toneel). Maar er was wel al artillerie zoals blijden, springalen en katapulten.
Van ridders is geweten dat ze een groot deel van hun tijd besteedden aan wapentraining. Ze
waren immers professionele strijders die steeds bereid moesten zijn tot het voeren van
oorlog.
De milities en voetsoldaten echter waren helemaal niet zo goed tot vechten voorbereid. Het
is bekend dat er regelmatig driloefeningen werden gehouden door de stadsmilities, maar dat
stelde nauwelijks iets voor in vergelijking met de doorgedreven training van de ridders. Het
meest verspreide wapen binnen de milities in Vlaanderen was de goedendag.
Tegen het einde van de 13de eeuw kwam het fenomeen van de huursoldaten op. Dit waren
meest voetsoldaten die door een heer ingehuurd konden worden om strijd te leveren. Ook
zij waren beter voorbereid tot de strijd. Het gros van het Franse voetvolk in Kortrijk in 1302
bestaat uit huursoldaten. Hun meest gebruikte wapen was de piek.

Het ridderschap in crisis
De edelen gebruiken zeer dure, zware strijdrossen. Willem van Gulik berijdt tijdens de
periode van de Guldensporenslag een dier dat ongeveer 180 Vlaamse Ponden kost. Een
gewoon paard betaal je in die dagen tussen 6 en 15 Pond. Het wordt steeds moeilijker voor
de ridders om dure paarden aan te kopen en te onderhouden. Daarbij moet een ridder een
volledige wapenuitrusting bekostigen. Die een waar fortuin kan kosten. 1.000 Ponden is geen uitzondering. Veel edelen leven bijzonder ruim en kunnen hun krijgsverrichtingen niet meer bekostigen. De legers bestaan uit steeds grotere proporties edelknapen die verkiezen de zware financiële lasten van het ridderschap niet te dragen.

Een efficiënt wapen
De ridders vormen een uiterst efficiënt wapen. Hun doorgedreven opleiding en de
bijzondere mentaliteit die aan het ridderschap verbonden is, geeft hen meer dan goede
kansen op het slagveld. Ridders worden van jongs af aan vertrouwd gemaakt met paarden en wapens. Bij de ridderslag hebben ze een jarenlange opleiding achter de rug. Bovendien zijn de edelen ervan overtuigd dat ze boven de gewone burger staan en dit zorgt ervoor dat ze zonder schroom op het “gemene” voetvolk van de vijand instormen. Ook is eer een zeer
belangrijke deugd die stevig in het ridderlijke waardepatroon ingebakken zit. Een ridder kan
en mag geen lafaard zijn en zal vaak tegen beter weten in een agressieve tactiek hanteren. Tot slot zijn de Vlaamse, Franse en Brabantse ridders goed getrainde krijgslieden die rond 1300 al flink wat oorlogsjaren achter de rug hebben. Dit maakt hen tot geharde krijgers.

Tactiek op het slagveld
Gepantserde ruiters strijden in dichte formaties. De paarden raken elkaar bij het
manoeuvreren over het slagveld en dit smalle front geeft de ruiterij een bijzonder grote
stootkracht. De ridders zijn georganiseerd in eenheden van een twintigtal ruiters. Een
baanderheer voert de groep aan. De typische formatie van een dergelijk eenheid is een
vierkant van 6 tot 8 ruiters breed en 2 tot 3 rijen dik. Drie tot vier eenheden vormen een
“schaar” of “bataelgen”. De bataelgen is de standaard tactische formatie en opereert als een
blok van ongeveer 60 tot 80 ridders sterk. Op deze aantallen staan echter geen vaste regels.

De goedendag

De goedendag is in werkelijkheid niets anders dan een stevige, anderhalve meter lange staf
die lichtjes dikker is aan het boveneinde, waar een ijzeren pin op staat die verankerd zit met
behulp van een ijzeren ring. Het wapen wordt afgebeeld op de Kist van Oxford en is ook te
zien op de reproducties van de tegenwoordig verdwenen Leugemeete fresco’s uit Gent. Er
zijn ook een paar archeologische vondsten van het wapen die ons ook een inzicht geven in
de constructie. In deze foto’s is uiteraard het hout al eeuwen vergaan, behalve voor een klein
deel in de onderste.
De goedendag is een eenvoudig en daardoor ook goedkoop wapen. Tijdens de late 13de en
vroege 14de eeuw werd veel gebruikt in Vlaanderen en bewees hij ook een zeer effectief
wapen te zijn. Met de goedendag wordt in de eerste plaats geslagen, als een knots. Daarna
kan men er ook nog eens mee steken. Men had dus in feite een dubbelwerkend wapen.
Meest waarschijnlijke reconstructietekening van een goedendag. Totale lengte ongeveer 1
meter 50.
Afbeelding

Het ridderzwaard
Het meest tot de verbeelding sprekende wapen uit de Middeleeuwen is ongetwijfeld het zwaard. Dit aanvalswapen maakt zo'n indruk dat, zelfs tegenwoordig nog, enkele zwaarden magische kracht worden toegedicht. Sommige zwaarden hebben een naam gekregen, bijvoorbeeld Excalibur (koning Arthur), Hrunting (koning Beowulf), Joyeuse (Karel de Grote), Balmung (Siegfried uit de Nibelungen) en Durandel (Roland).
Deze verdichtselen nemen niet weg dat het zwaard gedurende de gehele Middeleeuwen een van de belangrijkste wapens is voor de strijd van man tegen man. Het zwaard wordt onder invloed van de steeds zwaardere wapenrustingen van de strijders voortdurend ontwikkeld.

Zwaarden met dezelfde afmetingen, vorm en gewicht liggen verschillend in de hand. Dit unieke karakter wordt al in de Middeleeuwen herkend en is de oorzaak van het toedichten van speciale krachten aan het zwaard.
In de tijd voorafgaand aan de kerstening dichten de heidenen ieder voorwerp een eigen ziel toe, hetgeen ook bij het zwaard het geval is. Het zwaard wordt vaak aan de eigenaar meegegeven in het graf, waarbij het wordt verbogen of gebroken. Hierbij komt de ziel van het wapen vrij en hierdoor kan het niet meer door een ander worden gebruikt. Veel zwaarden zijn overgeleverd als grafgift, zodat de ontwikkeling van het zwaard door de eeuwen heen goed te volgen is.

Onderdelen van een zwaard
Het zwaard bestaat uit verschillende onderdelen die in de loop der eeuwen door voortschrijdend inzicht, technische mogelijkheden en veranderende functionaliteit van vorm veranderen. Het zwaard bestaat uit twee delen: de kling en het gevest.
De kling bestaat uit een angel van zacht ijzer, twee scherpe sneden en de punt. Meestal heeft de kling een over de lengte aangebrachte geul. Deze geul dient het zwaard lichter van gewicht te maken en wordt ten onrechte soms bloedgeul genoemd.
Het gevest bestaat gedurende de Middeleeuwen uit een kruisgevest. Het heeft een pareerstang ter bescherming van de hand, een over de angel geschoven greep van hout of hoorn en een knop om de greep op de plaats te houden.
Met vrij grote zekerheid is uit de bouw af te leiden uit welke tijd het zwaard stamt. Alle ontwikkelde typen zwaarden passen goed in de min of meer rechtlijnige evolutie van het wapen. Hoewel veel opgegraven zwaarden verweerd zijn zullen ze in de Middeleeuwen ongetwijfeld glanzend gepolijst zijn.

Dragen van het zwaard
Het zwaard wordt meestal aan een riem in een schede op de heup gedragen. Soms hangt het zwaard aan een riem die over de rechterschouder kruislings over het lichaam is bevestigd. Riem en schede worden vaak versierd om de voornaamheid van de drager uit te drukken.
Het uiteinde van de riem wordt in tweeën gesneden, zodat twee tongen ontstaan. Aan het andere uiteinde van de riem worden twee inkepingen gemaakt. De riem wordt nu bevestigd door de twee tongen door de inkepingen te halen en vast te knopen.
In de dertiende eeuw komt bij de elite de gesp in de mode. Het zwaard wordt op vernuftige wijze bevestigd. Een uiteinde van de riem krijgt twee tongen een lange en een korte smalle, beide uitkomend in de gesp. Het andere uiteinde wordt om de schede bevestigd, vervolgens om de heupen gedraaid en met behulp van de gesp aan de voorkant vastgezet. De korte smalle tong wordt vervolgens aan het deel dat om de schede zit bevestigd.
In later tijden wordt de riem met behulp van ijzeren ringen aan de kleding bevestigd.
De ontwikkeling van het zwaard begint in de Middeleeuwen met vroeg-middeleeuwse zwaarden als spatha en vikingzwaard, waaruit in de late Middeleeuwen stootzwaarden en slagzwaarden ontstaan.

De spatha
De ontwikkeling van het middeleeuwse zwaard begint met de Frankische spatha. Samen met de scramasax, een aan een kant snijdend groot mes en de franciska, een werpbijl, zijn dit de meest voorkomende wapens van de Frankische soldaat.
De spatha heeft een vijf centimeter brede en 75-85 centimeter lange kling. Door de zware constructie is het een geducht wapen. Omdat de kling in een ronde punt eindigt is het wapen alleen geschikt om mee te houwen. Een echte pareerstang heeft dit wapen niet.
Om de houten greep op zijn plek te houden wordt de angel platgeslagen. Ter bescherming van de houten greep wordt, voor het platslaan van de angel, eerst een ijzeren plaatje aangebracht die in de zesde en zevende eeuw uitgroeit tot een knop. Veel spatha worden in de geul versierd met een visgraatpatroon of met krullen. Deze versiering, damast genoemd, wordt in de Vroege Middeleeuwen reeds bewonderd, bijvoorbeeld in een brief uit 520 waarin een schenker van zwaarden wordt bedankt voor zijn gift: "Er is een spel van zovele schaduwen (in de geul), dat men zou menen dat het metaal is doorweeft met verschillende kleuren."
Dit patroon ontstaat door een bepaalde manier van smeden, het damasteren. Hierbij worden stroken ijzer en staal zodanig samengesmeed, gespleten en gedraaid en opnieuw gesmeed dat een bepaald patroon ontstaat. Na polijsten en vijlen komt het verschil in kleur tussen ijzer en staal naar voren.
Afbeelding

De Karolingische periode
In de Karolingische periode wordt het zwaard naar de punt toe smaller en blijft het damast populair. Het ijzeren plaatje tussen greep en kling wordt wel iets groter en begint op een pareerstang te lijken.
De nog uit twee delen bestaande knop wordt langzamerhand steeds zwaarder en uit een geheel gemaakt

Het vikingzwaard
De naam vikingzwaard is misplaatst, omdat het waarschijnlijk frankische zwaarden zijn. Bij de Vikingen worden deze zwaarden als grafgift meegegeven, terwijl de Franken dat niet doen. De meeste vondsten stammen dus uit vikinggraven, waardoor zij ten onrechte hun soortnaam krijgen.
Het vikingzwaard valt op door zijn doelmatigheid. De pareerstang is sterk ontwikkeld en de kling is veel slanker.
De kling van het vikingzwaard is ongeveer 80 centimeter lang. De smeden maken de kling vanaf het gevest tot aan de punt steeds smaller. Bovendien bestaat de gehele kling uit staal, waardoor het zwaard veel sterker is geworden. Een gevolg hiervan is dat de kling veel lichter gemaakt kan worden. Samen met het vergroten van de knop, die op een theemuts lijkt, komt het zwaartepunt dichter bij de hand te liggen.
Het lichtere zwaard is nu tijdens het gevecht veel beter te hanteren. Hoewel beter mogelijk is geworden om met de punt te steken wordt tijdens gevechten voornamelijk gehouwen.
In de volledig stalen zwaarden uit de tiende eeuw komt vaak een naam van een smid voor: Vlfberht. In de elfde eeuw komen daar de namen Ingelri en Gicelin bij. Deze drie namen komen gedurende twee eeuwen heel veel voor. Vanwege de kwaliteitskenmerken van deze zwaarden is de persoonsnaam blijkbaar uitgegroeid tot een merknaam. Dit kenmerk van kwaliteit wordt elders nagemaakt, om eigen producten voor deze merkklingen te laten doorgaan.
In de elfde eeuw ontwikkelt het zwaard zich tot een steekwapen.
Afbeelding

Ontwikkeling tot een steekwapen
Naast het vikingzwaard ontwikkelt zich uit de vroeg-middeleeuwse zwaarden in de elfde eeuw een type met een halfronde knop en een volledige pareerstang. De kling van dit type zwaard is breder en minder spits toelopend dan het vikingzwaard. Het is de tijd dat vechten eenvoudig bestaat uit slaan met een zwaard en afweren met een schild.
In de twaalfde eeuw volgt de belangrijkste ontwikkelingsfase. Het zwaard krijgt een lange en spits toelopende kling, die ook geschikt is om mee te steken. Het is de tijd van de opkomende landsheerlijkheid met de bijbehorende cultuur en bewustzijn van de heersende klasse. Aan het eind van de twaalfde eeuw ontstaat uit deze cultuur de belangrijke kunst van het zwaardvechten. Hierbij ligt de nadruk op behendigheid in plaats van kracht. Alleen diegenen met tijd om te oefenen vechten met een zwaard. Niet iedere sterke boerenpummel kan zoals voorheen een zwaard hanteren, het is bij uitstek een wapen voor de elite geworden. Geen wonder dat het zwaard uitgroeit tot het symbool van de heersende macht.
De ligging van het zwaartepunt wordt van enorm belang. Het zwaartepunt moet zo dicht mogelijk bij de hand liggen, dan is de richting van de slag moeilijk te veranderen en het zwaard beter te bewegen. Tussen het midden van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw groeit de pareerstang onder invloed van de zwaardvechtkunst van 15 naar 22 centimeter. De onderzijde van de knop wordt nu ook gebogen, waardoor het de vorm van een paranoot krijgt. Tijdens het zwaardvechten zit de knop niet meer in de weg en ligt die beter in de hand.
Afbeelding

Bastaardzwaard
Wanneer in het midden van de twaalfde eeuw de wapenrusting met plaatwerk zwaarder uitgevoerd wordt komt het stootzwaard in zwang. Het stootzwaard heeft een zwaardere knop, die meer tegenwicht geeft voor de kling, zodat het wapen evenwichtiger in de hand ligt. Zo is het gemakkelijker om met het zwaard door de wapenrusting heen te stoten.
De kling van het stootzwaard wordt langer, evenals de angel. Het zwaard wordt zo zwaarder, zodat het door zijn massa makkelijker door de wapenrusting heen kan prikken. De geul in de lengte van het zwaard verdwijnt. De knop wordt, om het toegenomen gewicht van het zwaard te compenseren weer zwaarder.
De grote lengte heeft echter tot gevolg dat het stootzwaard met twee handen moet worden gebruikt. Met een hand op de greep en de ander om de knop wordt in de vijftiende en zestiende eeuw een speciale zwaardvechtkunst ontwikkeld. Dit zwaardtype wordt naar de lengte van de greep het bastaard- of anderhalf handzwaard genoemd.
Afbeelding

Boorzwaard
Tussen 1350 en 1400 komt nog een andere zwaardknop naar voren, die tot circa 1450 wordt gebruikt. Deze knop is peervormig en bevat in de lengte lopende ribben, waardoor het zwaard nog beter in de hand ligt. De zwaarden uit deze periode hebben een smalle kling, een scherpe punt en lopen vanaf het gevest spits toe. Dit type zwaard wordt ontwikkelt in de periode dat het volledige plaatwerken harnas in het strijdperk verschijnt. Het is speciaal ontworpen om in de smalle kieren en spleten van het harnas te stoten. Alleen op deze wijze kan in de veertiende en vijftiende eeuw nog met een zwaard letsel toegebracht worden.
Deze zwaarden worden boorzwaarden genoemd naar hun prikkende functie. Dit in tegenstelling tot de naar het houwen vernoemde slagzwaard.
Afbeelding

Slagzwaarden
De oorspronkelijke bedoeling van het zwaard, houwen, komt duidelijk naar voren in het slagzwaard. Dit type uit de dertiende en veertiende eeuw wordt gelijktijdig naast de stootzwaarden ontwikkeld.
Het gevest is relatief lang, maar niet zo lang als het bastaardzwaard. De bijna evenwijdige en vier centimeter brede kling is circa 90 centimeter lang en snijdt aan twee zijden. De geul blijft bij dit type bestaan en loopt bijna tot aan de punt.
De pareerstang is lang en de knop heeft een diameter van ongeveer vijf centimeter.
Afbeelding

Badelaar
De dertiende eeuwse badelaar is eigenlijk geen zwaard. Het is een variant van de Frankische scramasax, het uit zijn voegen gegroeide mes. Dit type wapen is eenvoudig in massa te maken en wordt veel gevonden bij soldaten die in die tijd door de steden worden bewapend.
De kling van de badelaar loopt breeduit, eindigt in een lange kromme punt en heeft aan een kant een snede. Met de badelaar kan alleen worden gehouwen.
Afbeelding

Tweehander
Zwaarden die met twee handen gebruikt worden komen slechts zelden voor. Deze zogenaamde "tweehanders" zijn tijdens de strijd moeilijk te hanteren. Daardoor zal de drager van dit type zwaard erg kwetsbaar zijn.
De overgeleverde tweehanders zullen vaak een meer ceremoniële functie hebben gehad. Niettemin komt dit type in de verdichtselen het meest voor bij de beschreven helden.
Afbeelding

Beulszwaard
Beulszwaarden zijn ook een apart type. Dit type symboliseert vooral het zwaard van de regerende klasse: het zwaard der gerechtigheid. Als wapen zal het beulszwaard niet vaak gediend hebben, daarvoor zijn ze evenals de tweehander te log en te zwaar.
De beulszwaarden zijn speciaal ontworpen om eenmalig te hakken. Door het gewicht en de scherpe snede kan dit zwaard zijn werk doen, al gaat het ook wel eens mis.

De lans
Het belangrijkste wapen van de ridder te paard is de lans. Tijdens de late 13de eeuw werd de aanval van ridderscharen uitgevoerd met de lans onder de arm, punt naar voren gericht.
Deze lans was tamelijk lang, drie meter tot vier meter, met een eerder kleine punt. De punt
was zo klein en spits omdat ze moest toelaten maliën en platenvesten te doorboren. De
belangrijkste functie van een lans is dus te steken, gezeten op een paard. De schacht was
meestal gemaakt van essenhout en had overal dezelfde dikte.
Aan de lans kon de ridder een vaantje (pennoen) vastmaken met zijn kleuren. Voor een
eenvoudige ridder was dit driehoekig. Een baanderheer, die ongeveer twintig ridders
aanvoerde, had een rechthoekige banier.

De speer
Een lans is niet geschikt om mee te werpen, hij is te zwaar en te lang. Daarvoor gebruikte
men een speer. Met een lengte van ongeveer twee meter en een dunnere schacht kon men
met dit wapen ook werpen. Maar deze manier van oorlogvoering werd nog maar zelden
gebruikt in de late 13de eeuw.
Afbeelding

De piek
Een geliefd wapen voor voetsoldaten was de piek. Hij was iets kleiner dan de lans (tussen de
twee en drie meter) maar had een iets dikkere schacht. De punt was wel ongeveer dezelfde.
Het wapen werd gebruikt op twee manieren. In de aanval dient ze om de vijand op een
“veilige” afstand te kunnen raken. In de verdediging kan de piek in de grond geplant worden
om een charge met paarden op te vangen. Dit gebeurde ook tijdens de Guldensporenslag.
De combinatie van de piek met de goedendag bewees een zeer effectieve verdediging op te
leveren. In Kortrijk stonden de Vlamingen zodanig opgesteld dat er afwisselend een man
met een piek naast een man met een goedendag stond. De mannen met de piek vingen de
schok van de riddercharge op en de mannen met de goedendag maakten het werk af.

De kruisboog
Sinds de 11de eeuw ongeveer werd de kruisboog in Europa ingevoerd. Die eerste kruisbogen waren eigenlijk niet veel meer dan een houten handboog gemonteerd op een houten lat, om toe te laten de boog langer gespannen te houden. In drie eeuwen tijd tot aan 1300 evolueerde de kruisboog tot een handzaam apparaat met een korte boog, gemaakt van
composietmateriaal, gemonteerd op een soort houten kolf met een trekkermechanisme.
Het composietmateriaal van de boog bestond uit lagen hout, hoorn en dierlijke pezen. Dit
gaf de boog een grote stijfheid waardoor hij meer kracht kon ontwikkelen dan de houten
handboog. De boogpees was gemaakt van ineengevlochten vlas- of henneptouw.
Een kruisboog verschiet geen gewone pijlen. Het zijn namelijk korte, dikkere pijlen met een
kleine, scherpe stalen tip. Deze waren veel aerodynamische dan een gewone pijl en dit droeg zeker bij tot de grote effectiviteit van het wapen.
Rond 1300 werd de kruisboog gespannen door een voet in de stijgbeugel vooraan de boog te plaatsen en een haak die aan de riem van de schutter vastzat aan de boogpees te haken. Door zich nu te strekken zal de haak de boogpees mee omhoog trekken en kan de schutter het trekkermechanisme op scherp zetten. De ingewikkelde lieren en ander opspanmechanismen, die vaak getoond worden in verband met kruisbogen, dateren van veel later. De kruisboogschutters van de stadsmilities werden in de strijd bijgestaan door garsoenen, knechten die grote schilden meedroegen waarachter men kon schuilen tijdens het laden van de kruisbogen. Deze schilden zijn de zogenaamde targen of paveses.
Veel middeleeuwse veldslagen werden begonnen door de kruisboogschutters naar voren te
sturen en te proberen met hun pijlen de vijandelijke rangen te verzwakken. Dit gebeurde ook
zo te Kortrijk. Anderzijds bewees het wapen ook zijn nut bij belegeringen.

Afbeelding

bronnen: legermuseum / graafschap middeleeuwen / wikipedia / erasmushogeschool / gotcha.nl /de-kruisboog.seebyseeing.net

_________________
Heiligenmedailles en dovotiehangers in de rommelbak... ik verzamel ze..


10 feb 2012, 21:39
Profiel WWW
Geef de vorige berichten weer:  Sorteer op  
Dit onderwerp is gesloten, je kunt geen berichten wijzigen of nieuwe antwoorden plaatsen   [ 1 bericht ] 

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast


Je mag geen nieuwe onderwerpen in dit forum plaatsen
Je mag niet antwoorden op een onderwerp in dit forum
Je mag je berichten in dit forum niet wijzigen
Je mag je berichten niet uit dit forum verwijderen
Je mag geen bijlagen toevoegen in dit forum

Ga naar:  
Powered by phpBB © 2000, 2002, 2005, 2007 phpBB Group.
Designed by STSoftware for PTF.
phpBB.nl Vertaling - Hosted by FFXS.nl