
Re: fraai duitje zutphen 1687
De laatste muntperiode 1686-1692
In het begin van de 80er jaren van de 17e eeuw waren de verschillende provincies met moeizame besprekingen bezig over de sanering van de muntomloop. De besprekingen over de invoer van nieuwe Statenmunten, gebaseerd op de gulden, verliepen zeer moeizaam. In 1681 verschenen in Holland Statenguldens en Statendrieguldens met als beeldenaar een staande Minerva, later wel Hollandse maagd genoemd. De nieuwe muntstukken stuiten echter op problemen. De wisselbank te Amsterdam wilde ze niet bestellen en door grote handelaren werden zij geweigerd. Vanwege deze problemen weigerden de andere provincies om ook deze Statenmunten te slaan, eerst zou er een goede regeling moeten komen. Als maatregel werden toen de nieuwe Statenmunten per publicatie gangbaar verklaard, enkele slechte muntsoorten werden voor biljoen verklaard (verboden) en men beloofde om wat aan de zilverhandel en de zilverprijs te gaan doen.
Eind 1686 / begin 1687 begon Holland samen met enkele andere provincies een hardere aanpak tegen provincies en steden die minderwaardige munten sloegen en bleven slaan. Vooral Zeeland weigerde zich neer te leggen bij een algemene regeling en ging ongestoord verder met het aanmunten van daalders en dubbele daalders. Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel besloten toen eenzijdig om de Statenmunten te aanvaarden en om de Zeeuwse munten te verbieden. Ook mocht er geen zilver meer worden uitgevoerd richting Zeeland. Als gevolg van deze aanpak ontstond er een korte opleving met als gevolg dat de stad Zutphen haar munthuis heropende om mee te kunnen profiteren. Als muntmeester werd Herman van Bayen aangetrokken die de munt pachtte voor 1000 dukatons (3150 gulden). Hij begon direct met het aanmunten van Statendrieguldens, guldens en 10 stuiverstukken. Het zilver werd echter door de grote vraag steeds duurder waardoor het stadsbestuur de muntmeester toestemming gaf om koperen duiten te gaan slaan. Op deze wijze kon het munthuis aan de gang gehouden worden.
ZUT.17: (koper) duit.(V.27.6 - BvB.25/25A/25B/25Bbis - Purmer 1903)
VOORZIJDE: Een vierbogige versiering (vierpas) met daarin de tekst CIV. ZVTPHA NIA in drie regels. Dit is voluit: civitas Zutphania, en betekent: stad Zutphen.
KEERZIJDE: Gekroond stadswapen, vastgehouden door twee leeuwen. De laatste twee cijfers van het jaartal staan tussen de kroon boven het wapen.
Herman van Baijen, mmt: gewei (niet afgebeeld op de duiten). Vermelding van duiten in zijn 1e en enigste muntbus (1686-1692). Voorschrift: 112 in de snede = ca. 2.197 gram. Geslagen volgens de registers ca. 27808 stuks, in werkelijkheid veel meer maar niet meer na te gaan hoeveel precies.
Voorschrift: consent van het stadsbestuur van Zutphen van 20 en 30 juli 1687. Uit een mark 112 stuks is ca. 2,197 gram per stuk6. De remedie bedroeg 4 stuks.
Deze duiten komen voor in de 1e muntbus opening van muntmeester Herman van Baijen. Deze bus verantwoorde wat was geslagen over de periode 1686-1692. De geslagen munten staan opgetekend in het muntboek van Zutphen over de jaren 1686-1692. Het nawegen van 5 exemplaren leverde twee maal een keurig gewicht op van 2,10 en 2,20 gram, dit is een beter gewicht dan van sommige provincie duiten. Drie andere exemplaren wogen echter slechts 1,60 - 1,70 en 1,85 gram. De berekende oplage door Mr. L.W.A. Besier7. van dit type is 63056 stuks. In het muntboek van Zutphen is slechts sprake van 2 partijen duiten. De eerste partij van 126 mark kwam gereed op 22 augustus 1687 en de tweede partij van 100 mark op 26 januari 1688. Dit vermelde aantal marken geeft een oplage van slechts ca. 27808 stuks. Het grote aantal nog overgebleven exemplaren doet vermoeden dat er veel meer zijn geslagen dan is vermeld. Hoe Besier aan een oplage van ruim 63000 kwam is mij niet bekend maar zelfs dit aantal is waarschijnlijk nog te laag berekend. Deze duiten komen zeer veel voor en worden veel in de bodem gevonden. In de vondst "Brabant 1701" 8 is dit type zelfs vertegenwoordigt met 53 stuks. Tot nu heb ik 14 verschillende voorzijde en 15 verschillende keerzijde stempels kunnen ontdekken. Als er ca. 8000 stuks geslagen konden worden met een stempel voordat deze versleten was dan is een eerste voorzichtige schatting te maken van ruim 120.000 stuks. Deze duit is nagemaakt naar het voorbeeld van de duiten van Utrecht. Waarschijnlijk was dit type van Utrecht in die periode erg populair. Ook de stad Groningen heeft het type geïmiteerd in 1690 en Reckheim heeft een poging gedaan om het type na te maken. Door de gelijkenis met Utrecht zullen deze duiten gemakkelijker in het geldverkeer zijn aangenomen. De stempels voor deze duit zijn gesneden door Johan Sluyter. Bij waarschijnlijk slechts 1 stempel heeft hij de fout gemaakt om de cijfers van het jaartal om te draaien waardoor het jaar (16)78 in het stempel stond. Hij ontdekte deze fout en heeft de 7 in een 8 veranderd en de 8 in een 7.
In de vierde muntperiode van 1687-1692 zijn verreweg de meeste munten geslagen. Net als Deventer en Nijmegen leek het ook Zutphen wel winstgevender om weer munten te gaan slaan in plaats van de jaarlijkse compensatie van 2000 gulden te ontvangen. Het munthuis werd ingericht in een huis op de Niewstad bij het gasthuis. Herman van Baijen werd als muntmeester aangenomen en Johan Sluyter als stempelsnijder. Geslagen werden in deze periode: leeuwendaalders, daalders van 30 stuiver, florijnen van 28 stuiver, drieguldenstukken, guldens, tienstuiverstukken, ruiterschellingen en koperen duiten. In 1692 werd het munthuis na onderhandelingen echter toch weer gesloten en ditmaal voorgoed. In ruil hiervoor kreeg de stad wederom een compensatie maar ditmaal van 4000 gulden per jaar. Pas op 26 februari 1809 werd bij besluit nr.12 van koning Lodewijk Napoleon een einde gemaakt aan deze jaarlijkse compensatie.
Bron:
http://www.duiten.nl/