Prachtige Kerkelijke muntslag.
Zelden zo een gaaf exemplaar kunnen zien.
Deze van jou nog eens opgescherpt en de kleur wat aangepast.
Mag deze ook worden doorgestuurd naar Pannekeet
Muntheer: Kerkmeesters Elburg (met instemming van het stadsbestuur Elburg)
Denominatie: Penning of halve duit
Slagplaats: Elburg
Datum: z.j. Ca 1619
Materiaal: Koper (Cu)
Massa: Ca 1,1 gram.
Diameter: 18 mm.
Voorzijde: Een dunne tulpenkrans met daarbinnen de tekst:
.1.6. MONETA ECCLES: ELBORG .1.S.
Wat wil zeggen: kerkelijk geld van Elburg, de afkorting 16 / 1S betekent 16 stuks in een Stuiver.
Keerzijde: Een tulpenkrans met daarbinnen een stadspoort met twee torens. In de geopende poortgebouw ligt een leeuw.
Muntmeester: Hendrik Wijntgens 1619-1621
Lit: Pannekeet ELB.1; Purmer/van der Wiel 1501; JC van der Wis 2.14.1 .
De Elburgse "kerkelijke" munt
Elburg was vroeger een welvarend vissersstadje aan de toenmalige Zuiderzee. Nu met de tegenwoordige afsluiting door de afsluitdijk en de inpoldering van grote delen van het wateroppervlak is Elburg gereduceerd tot een toeristenstadje. In de 14e eeuw is er op kleine schaal zilvergeld gemunt op naam van de hertogen Reinald II en Reinald III van Gelre. Mogelijk is in de eerste helft van de 16e eeuw kleingeld van de stad Utrecht te Elburg geklopt met een Gothische letter E om deze tegen een bepaalde waarde geldig te verklaren binnen Elburg.
In de vroege 17e eeuw zijn er te Elburg in opdracht van de kerkmeesters en met instemming van het stadsbestuur koperen halve duiten geslagen. Deze vroeg 17e eeuwse munt van Elburg was gevestigd in het Agnietenklooster wat tegenwoordig het museum is. In de korte periode van 1619-1621 is men er hier in geslaagd om toch een groot aantal typen halve duiten te slaan. Op de website van het Streekarchivariaat noordwest-Veluwe staan onder het deel "de vrijwillige rechtspraak" de volgende vermeldingen die te maken hebben met de muntslag: "de magistraat dezer stad heeft in erfpacht uitgedaan aan Henrick Wintgens des Paters doergaents mit den Reventer (refter), mitsgaders het huis en keuken daar den rector in gewoond heeft sampt den hof tegen de paterskeuken en het hoefken zuidw. achter de put waarvoor hij jaarlijks 50 daalder zal betalen, actum 3 sept. 1619". Een 2e vermelding handelt over hetzelfde maar heeft iets meer informatie: "de magistraat dezer stad hebben in erfpacht uitgedaan en verpachtet aan Henrick Wintgers die Patrie doergaents mitten Reventer (de doorgang naar de eetzaal van de Paters), mitsgaders het huis en de keuken daar de rector in gewoond heeft met de hof tegen de paterskeuken en een hoekje zuidw. achter de put, waarvoor hij jaarlijks 50 daalder moet betalen en zal hem geen schatting opgelegt worden, actum 3 sept. 1619".
Over het contract staat het volgende vermeld: "de kerkmeisteren deser stadt ten overstaan van de magistraat en met toedoen van de gesworen gemeensluiden zijn veraccordeert met den muntmeester Henrick Wijntgens om uit haeren naam te munten penningen mit alsodanige stempel als den gesworen stempelsnijder te snijden zal worden geordeniseert, welke 16 sullen gaan op 1 hollandsen ende gevalueerde stuiver wegende het stuk 24 asen wesende 212 1/8 stucken in 't Troysche marck gewichts, ter remedie van 10 stuck lichter ofte swaarder in elcker marck. En sullen die voorschreven penningen alleen haren cours hebben in deze stad en vrijheid, op sulke conditie dat niemant in een somme gelts meerder als den 16 en penninck zal geholden zijn te ontvangen en die ontvangers op comptoiren gansch geen aan die stad in haren ontvang der 50 ste penning. Edoch bij aldien deze stad hier en boven noch mit die penningen vervult ofte beswaart wordt, zo zullen die stempelen wederom ingetogen worden. Ende zal jaarlijks aan de kerkmeesters betalen zodanige somme als tussen beide partijen verdragen is sonder arglist, actum 3 sept. 1619". In het contract wordt duidelijk aangegeven dat er van deze muntjes 16 in een stuiver moesten gaan (is een penning) en dat er 212 1/8 stuks uit een mark moesten komen (is 1,16 gram per stuk) met een toegestane afwijking van 10 stuks meer of minder. De opbrengst uit de munt werd gebruikt voor herstelwerkzaamheden aan de kerk. Het Latijnse opschrift op de muntjes luidt dan ook: MONETA ECCLESI ELBORG. Dit betekent: kerkelijk geld van Elburg. Ook stond er bij enkele types een waarde aanduiding op in de vorm van 16 1S (16 stuks is een stuiver). Deze waarde aanduiding is in het verleden wel foutief voor het jaartal 1618 aangezien. Op de andere zijde staat een stadspoort met torens en in de stadspoort ligt een leeuw. Ook wel eens beschreven als een stuk geschut of een ploeg.
Deze halve duiten zijn geslagen in een zestal hoofdtypen. Enkele hebben een waarde aanduiding en andere hebben het jaartal 1621. Doordat er weinig zijn geslagen van alle types is het een zeldzaam muntje geworden. Toch zijn er van elk hoofdtype minstens drie varianten bekend met betrekking tot verschillen in de tekst en onderbrekingspunten in de tekst. Dit duidt wel aan dat de stempels snel sleten en dat er dus veel stempels gebruikt moeten zijn. Bovendien werd er waarschijnlijk met meerdere stempels tegelijkertijd gewerkt. Er zal mogelijk niet veel muntpersoneel op deze munt gewerkt hebben omdat anders de kosten te groot zouden worden en de opbrengst van het munten nihil. Al op 3 november 1619 protesteerde het Hof van Gelderland tegen het munthuis in Elburg. De momber (procureur, een soort officier van justitie) Willem Everwijn moest gaan onderzoeken wat voor munt er geslagen werd, op wiens last en met welke instructie. Op 21 januari 1620 berichtten de Staten-Generaal aan de Staten van Gelderland dat de muntslag te Elburg moest stoppen. Deze lieten vervolgens de vroedschap van Elburg weten dat het verboden was om aldaar munt te slaan of te laten slaan. Het heeft mogelijk nog tot 1621 geduurd voordat de muntslag gestaakt werd want er bestaan exemplaren waarop het jaartal 1621 lijkt te staan. Per plakkaat van 24 december 1621 werden de "Elburgse penninxkens" verboden gelijk met de minderwaardige stuivers van Kampen zonder jaartal (geslagen ca. 1621).
Waarschijnlijk door de ophef over de muntslag zijn op verzoek van de gezworen gemeente van Elburg getuigenissen gegeven door twee muntgezellen die zijn terug gevonden in het rechterlijk archief van Kampen2. De getuigenissen zijn gedateerd 29 februari 1620. De eerste getuigenis is van de Overijsselse muntgezel Roelof Benier die verklaarde ca. 2000 mark koper tot duiten te hebben vermunt (ca. 424.000 stuks) samen met enkele andere Overijsselse muntgezellen. Op verzoek van de muntmeester had hij de boekhouding bijgehouden in verband met het uit te betalen muntloon. De tweede getuigenis is van de muntgezel Hans van Nuerenberch die verklaarde gewerkt te hebben met een schroefwerk, zeer opmerkelijk zo vroeg in de 17e eeuw en bovendien op een zo onbelangrijke munt als die van Elburg. Buiten duiten te hebben geslagen verklaarde hij voor 200 mark andere munten te hebben geslagen met op de ene zijde het wapen van de stad Elburg (stadspoortje) en op de andere zijde het Romeinse getal II. Dit is een directe verwijzing naar de munt van het type ELB.7. Hij wist te vertellen dat de muntmeester deze munten niet had uitgegeven maar had laten verwerken tot andere munten. Dat hij ze met stempels van reguliere duiten van Elburg heeft laten overslaan weten we nu uit een drietal terug gevonden overslagen waar nog delen van het andere munttype op te zien zijn. Het gewicht van de oorspronkelijke munt moet gelijk zijn geweest aan de halve duiten waardoor de hoeveelheid van 200 mark omgerekend kan worden naar ca. 42.400 stuks. Tot nu is hiervan slechts 1 exemplaar terug gevonden die bij toeval niet is overslagen met een ander stempel.
Bron: Kees Pannekeet.