|
De Speyte
Moderator
Geregistreerd: 28 jan 2013, 21:59 Berichten: 6807 Woonplaats: Meetjesland (Belgie)
|
 Benamingen van munten.
Voor zij die interesse hebben in benamingen van bepaalde munten. Veel leesplezier.
Achtentwintig Als zelfstandig naamwoord; een munt in 1601 voor het eerst gemunt, tot 1846 in omloop geweest. Zilveren muntstuk ter waarde van 28 stuivers of een goudgulden; ook Zilveren florijn of Zilveren gulden, in de volkstaal ook wel Klapmuts genoemd. Achterwiel Schertsende benaming van een rijksdaalder. De rijksdaalder was het grootste muntstuk, zoals het achterwiel het grootste wiel aan de wagen was. Anderhalve cent Benaming voor een verloofd of getrouwd paar waarvan de een veel groter is dan de ander. Angelot Het woord komt uit het Frans; angelot, verkleining van ange, engel. Een gouden munt genoemd naar het beeld van de Aartsengel Michaël, die de draak verslaat. In Frankrijk waren de ange d'or en de kleinere angelot voor het eerst door Lodewijk IX geslagen. Later hebben ook Engelse koningen, sinds de regering van Hendrik VI (1422-1461), angelotten geslagen. In Nederland zijn ze door de Heren van Vianen, Batenburg en 's-Heerenberg nagebootst. Arenddaalder Oude zilveren munt in Zeeland en Friesland, van 28 of 30 stuivers.
Bal In gebruik als woord in de betekenis van gulden. Beis Als telwoord betekent dit twee, de stap naar het dubbeltje in het bargoens is dan klein. Blank 3/4 stuiver. Van stuivers blanken maken: Slechte zaken doen. Blankebouwer: Iemand die van goedkope materialen slechte huizen bouwt. Blauwe gulden Een valse "niet volwichtige" gulden. Blauw betekent in deze zin: van witachtig metaal, zoals staal of zilver. Hier ligt ook de oorsprong van het gezegde: Hij zal er zijn vingers niet blauw aan tellen. Bedoeld wordt dan met zilvergeld, omdat dat blauw afgeeft. Botje Zilveren muntstukje, gedurende Middeleeuwen (tot ongeveer 1490) in verschillende Nederlandse gewesten in omloop, meestal gelijk aan 4 duiten of 2 groten of een halve stuiver (ƒ0.025). Naar het schijnt vooral in Friesland nog lang als benaming van zekere waarde bekend gebleven, ook toen de muntstukjes reeds lang niet meer in omloop waren, nu alleen als historische term. Botje bij botje leggen: ieder zijn aandeel bijdragen, gezamenlijk de kosten dragen. Braspenning Zilveren muntstukje, onder de Bourgondische vorsten geslagen, in waarde gewoonlijk gelijkstaande met 10 (soms met 8 of 12) duiten of 21/2 groot, d.i. ƒ 0.0625, en waarschijnlijk niet later dan tot het begin van de 17de eeuw in verschillende Nederlandse gewesten in omloop gebleven; het woord was echter lang daarna, tot in de 18de eeuw, hier en daar (b.v. te Deventer) bekend als benaming van de genoemde waarde van 10 duiten. 'Bras' komt van het werkwoord 'brassen' dat (bier)brouwen betekent. De braspenning was eigenlijk de benaming van het geld, dat vroeger betaald moest worden als accijns voor het brassen of brouwen van een vat bier. Brief Bargoens: geld; gele brief: 25 gulden
Cent Een koperen, later bronzen muntstuk, ter waarde van het honderdste deel van een gulden; ontleend aan het Latijnse centum, honderd. Carolusgulden Munt voorzien van de afbeelding van Karel de Stoute; een gouden, een zilveren of ook een rekenmunt van gelijke waarde als de door Karel de Stoute geslagen guldens. Als rekenmunt nog tot in de 19de eeuw bekend.
Daalder Een zilveren muntstuk ter waarde van dertig stuivers. Ontleend aan het Duitse Thaler, een verkorting van Joachimsthaler, een munt uit Joachimsthal. Denier Een muntstukje ter waarde van een twaalfde stuiver; penning. Dertiendehalf Naam van een vroeger gebruikte zilveren munt, ter waarde van twaalf en een halve stuiver. Dubbeltje Een (voorheen zilveren) muntstukje ter waarde van twee stuivers, vroeger ook: dubbele stuiver. Dubbeltjesdief herderstasje Duit Voormalig geldstukje ter waarde van het achtste deel van een stuiver. Een duit met gaatjes: Iets wat helemaal niets te betekenen heeft. Dukaat Munt uit het hertogdom Apulia sinds 1140 geslagen, zo genoemd naar het randschrift: Sit tibi, christe, datus quem tu regis iste ducatus. Naam van verschillende gouden munten van uiteenlopende waarde. De Hollandse dukaat had een waarde van ongeveer 5 gulden en was bekend om haar hoog gehalte. Dukaton Zilveren munt ter waarde van 63 stuivers. Duppie Kort voor dubbeltje
Elfduits Oude munt ter waarde van elf duiten, het dubbele van de elfpenning. Eutteken Naar het schijnt verbasterd verkleinwoord van Oort. Muntstukje ter waarde van het zesde deel van een stuiver. Alleen in de vorm van het verkleinwoord aangetroffen.
Fiets Bargoens: vijf gulden (twee achterwielen) Flab(be) Vroegere Groningse munt ter waarde van vier stuivers. Florijn Een voor het eerst (in 1252) te Florence geslagen munt (met de afbeelding van een lelie) die in de Middeleeuwen wegens haar uitnemend gehalte bekend en gezocht was, en die daarom dan ook door onderscheidene vorsten met geringe uiterlijke verschillen werd nagemunt. Een zilveren munt met een waarde van 28 stuivers.
Geeltje Bargoens: 25 gulden Godspenning Handgeld dat de koper of huurder ontvangt, oorspronkelijk om de huur- of koopovereenkomst tot stand te brengen. Handgeld dat een dienstbode die zich verhuurd had ontving (5% van de huur.) De godspenning geven: een mondeling huurcontract met een dienstbode sluiten. Goudgulden Letterlijk: een uit goud geslagen gulden, een gouden gulden; de „gulden" was oorspronkelijk een gouden munt, maar sinds er ook zilveren stukken van ongeveer dezelfde waarde werden geslagen, werd de aanduiding als goudgulden voor de eerste soort noodzakelijk. Niettemin werd ook deze naam in verloop van tijd op de zilveren gulden toegepast; vandaar dan eindelijk de benaming zilveren gulden. Groot Men verstond in de Middeleeuwen en nog veel later onder 'groot' een muntstuk van een -naar de verschillende tijden en in onderscheidene landstreken weliswaar niet dezelfde, maar toch gemiddelde- waarde van onze halve stuiver. Gulden De munteenheid van Nederland en Suriname, verdwijnt met ingang van 1 januari 2002 als wettig betaalmiddel in Nederland. Oorspronkelijk werd de munt in goud geslagen, vandaar de naam 'gulden' dat 'gouden' betekent. Gulden Florijn Vooral in het Middelnederlands een zeer vaak voorkomende vertaling van het Italiaanse 'fiorino' (d'oro), de naam van een, oorspronkelijk Florentijnse, gouden munt; het bnw. gulden, als znw. gemaakt, werd al spoedig ook op zich zelf een benaming voor die munt. Gulden slijk geld of goud Een zak guldens Eigenlijk: een zak met zeshonderd guldenstukken er in; vóór het in gebruik komen van papieren geld een niet ongewoon betaalmiddel; soms ook: een bedrag van fl. 600,-.
Heitje Bargoens: een kwartje. De vijfde letter uit het Hebreeuwse alfabet is 'he', die als getalswaarde 5 heeft. Bedoeld is vijf stuivers.
Jager Naam voor een zeker muntstuk waarop een vogel (eigenlijk een arend) was afgebeeld. Joetje Afgeleid van de Hebreeuwse letter 'yodh', die als getalswaarde tien heeft. Bargoens: tien gulden
Kassemannetje Benaming voor een voormalig muntstukje ter waarde van drie stuivers. Klapmuts Volksnaam voor een muntstuk, of een muntsoort, waarvan de afbeelding aan de voorzijde een manskop vertoont, gedekt met een klapmuts: de Friese Florijn of Achtentwintig. Klimmer Benaming voor een Gelderse gouden munt. De naam komt van de twee naar elkaar toegekeerde klimmende leeuwen, het wapen van Gelderland, in de afbeelding. Klinkaard Benaming voor een gouden munt met een waarde van 15 stuivers, voor het eerst in de 14de eeuw in Brabant geslagen; het meest bekend is de Philippusklinkaard die voor het eerst onder Filips den Goede is geslagen. Kluit Benaming, aanvankelijk schertsend, voor een geldstuk in het algemeen en voor bepaalde geldstukken in het bijzonder (een koperen 5-centiemstuk (dikke kluit = 10 centiemen) 'de Kluit' betekent 'geld'. Een Spaanse Kluit Een in de 16de en 17de eeuw hier in Nederland in omloop zijnde munt, een „Filipsdaalder", waarvan de waarde bij haar eerste uitgifte, in 1557, 30 stuivers was, maar tijdens het Twaalfjarig Bestand 52 stuivers. Knaak De naam is van onbekende oorsprong. Benaming, in dieventaal en vervolgens ook daaruit overgenomen in de omgangstaal, voor een groot muntstuk, thans voor een rijksdaalder. Afgeleid van 'knaak' is 'knaker' in de betekenis van portemonnee. Alain Bobbe gaf ons een verklaring voor het ontstaan van het woord "Knaak": Net zoals veel woorden over geld die oorspronkelijk uit het Hebreeuws komen, vanwege de vele Joodse handelaars in Amsterdam voor WO II, heb ik de volgende betekenis van horen zeggen over de knaak ("riks"). In het Hebreeuws worden woorden zonder klinkers geschreven; KNAAK wordt zodoende KNK. De getalswaarde van letters heeft in het Hebreeuws een hele sterke betekenis , het heet "Gematriya". (A=1,B=2 etc). De letter K - in het hebreeuws KOEF, heeft getalswaarde 100, de letter N - NOEN, 50 en weer de K - KOEF , 100. Samen opgeteld vormen zij 250, oftewel 250 cent. N.m.i. is dit meer dan een toevalligheidje, en ik heb deze verklaring ook eerder gehoord. Knapkoek Zeer oude benaming voor verschillende kleine gouden munten, waarschijnlijk genoemd om hun brosheid doordat het goud gemengd werd met andere metalen. Knoop In boeventaal: geldstuk, in meervoudsvorm: geld. Korte Dit was een muntje van 2 mijten geslagen sinds het midden van de 14e eeuw met een laag zilver gehalte. Sinds 1543 geheel van koper geslagen o.a. te Gelderland op naam van Karel V. (deze vermelding is afkomstig van Kees Pannekeet) Kwartje De algemeen gebruikelijke naam voor een kwartgulden of 25 centen. Het ontstaan van het kwartje is als volgt: in de jaren 1756-59 vervaardigden de muntmeesters van Gelderland, Holland, Westfriesland en Utrecht zilveren penninkjes, die dienen moesten tot nieuwjaarsgeschenken. Zij stempelden daarop dezelfde figuren en opschriften als op de gulden, en verkochten ze voor 41/2 à 6 stuivers het stuk, en wel in zulk een menigte, dat ze onder het publiek in omloop kwamen en als kwartguldens werden uitgegeven en aangenomen. Maar in 1759 werd deze praktijk verboden. Kwartjesvinder Iemand die, onder het voorwendsel van op straat een kwartje gevonden te hebben, nietsvermoedende mensen verlokt om met hem te kaarten en hen door vals spel geld afwint. Kwintje Muntstuk van 20 eurocent, naar analogie met het kwartje.
Lammetje Bargoens: anderhalve gulden, 30 stuivers. Genoemd naar de Hebreeuwse letter l, 'lamedh', die de getalswaarde 30 heeft. Leeuwendaalder Oude zilveren munt, aanvankelijk in Holland, na 1576 ook in bijna alle andere gewesten van de voormalige Republiek geslagen; op de ene zijde stond een leeuw zonder schild afgebeeld.
Maffie Bargoens: kwartje. De etymologie is onbekend. Mat (Spaanse) Het was een Spaanse zilveren munt ter waarde van acht realen. Komt voor in het lied over Piet Heyn, de man die de Spaanse zilvervloot kaapte en in Nederlandse handen bracht. De etymologie van het woord "mat" is onbekend. Meier Bargoens: honderd gulden, afgeleid van het Hebreeuwse 'mei'oh' dat honderd betekent. Mijt Benaming van een vroeger gebruikelijke munt, 1/24 van een groot. Enkele mijten, hetzij 3, 4 of ook 2, al naar de verschillende gebruiken, maakten een penning. In veel gevallen wordt mijt genoemd als het type van een zeer gering muntstuk. (Een mijtsplijter was de benaming voor een gierigaard.) Mudje Bargoens: honderd gulden
Negenmanneke In vroeger tijd een geldstukje ter waarde van een duit, of 1/2 oordje, of 9 mijten. Nobel Naam van zekere gouden munten, die voor het eerst in Engeland in de 14de eeuw (onder Eduard III), spoedig daarop, voor het eerst in 1388, ook in Nederlandse gewesten geslagen zijn; de Nederlandse naam is dus waarschijnlijk aan het Engels ontleend. De nobel werd bij ons gewoonlijk met 50 stuivers gelijkgesteld, maar de verschillende soorten stonden niet gelijk. Nog in de 17de eeuw was de nobel een gangbare munt. Nobelgeld Naam van een belasting in Zuid-Nederland die in nobels werd uitgedrukt.
Oord Vierde deel van een stuiver of 2 duiten. Omdat er in de Middeleeuwen talrijke munten in omloop waren die door een kruis in vier oorden (hoeken) verdeeld waren, heeft oord de betekenis gekregen van: vierde deel van een munt. Oordjedood Iemand die op een oordje dood blijft; die zó gierig is, dat hij zelfs van geen oordje kan scheiden. Oordjedood spelen, doen als een oordjedood; zeer spaarzaam zijn.
Pandoer Oude munt die 2 stuivers en 6 penningen waard was, stoter; meestal in de verkleinvorm: pandoerke. Patakon (patagon) Een zilveren munt, in de 17de en 18de eeuw in de Nederlanden gangbaar, ter waarde van ongeveer vijftig stuivers. Soms ook Brabantse rijksdaalder genoemd. Patard Een munt in Picardië, Vlaanderen, Brabant ter waarde van een stuiver. Stuiverstuk van Filips den Goede. Pegel Bargoens: een gulden Penning Benaming van een vroeger gebruikelijke kleine munt met de waarde van 1/16 van een stuiver of 1/2 duit. Er waren penningen van 3 en 4 mijten, maar ook van 2 mijten. De penning was oorspronkelijk een zilveren muntje, maar werd later van koper geslagen, vanwaar de benaming zwarte penningen. De etymologie van het woord penning is onzeker. Het woord penning kwam ook veel in samenstellingen die personen aanduiden voor: peukelpenning (een oppotter), spilpenning (een verkwister), splijtpenning (een gierigaard). Peter Ook Peterman of Pieter genoemd. Naam van een oude munt, op het einde van de Middeleeuwen in Brabant, te Leuven, geslagen van goud. Later ook in toepassing op zilveren munten. De benaming wordt verklaard door de afbeelding van de apostel Petrus op deze munten. Piek Gulden, waarschijnlijk is de naam ontleend aan de voorstelling van de Hollandse Maagd op munten ten tijde van de Republiek. Zij werd afgebeeld met een lans (een piek). Pietje Volksnaam voor zekere zilveren munt, ter waarde van 1/8 Zeeuwse rijksdaalder, die van 1762-1794 geslagen is. De oorsprong van de benaming zal wel gezocht moeten worden in de schertsende naam van Pietje en Pietje Bedroefd, die men gaf aan de geharnaste man met het wapenschild van Zeeland op deze munt, welk schild op afgesleten exemplaren op een grote zakdoek lijkt. De halven en kwarten van de Zeeuwse rijksdaalder vertoonden dezelfde voorstelling, maar de kleinste en meest gebruikte munt gaf aanleiding tot een schertsende bijnaam. Pieterman Gouden Brabantse munt met de afbeelding van Sint Pieter. Geslagen tussen 1370 en 1425. Huidige betekenis: gulden. Pistool Oude benaming voor verschillende buitenlandse gouden munten, in het bijzonder voor de Spaanse kroon en de Franse Louis d'or en later ook voor andere dergelijke goudstukken. Een stuk goudgeld ter waarde van drie zilvere ducatons Hollands geld, ook wel gouden pistool. In Zuid-Nederland nog lang bekend als naam voor een goudstukje van 10 franken. In figuurlijk gebruik: Grote rijkdommen zoekt Mercurius niet; want wat zou 't al zijn, als hij in de pistolen zwom? Pitten Geld. Pitten hebben: rijk zijn. Een pitje was een oude Indische pasmunt. Rond 1700 waren tien pitjes ongeveer een stuiver waard. Met de pitten voor de dag komen: geld geven. Plak Benaming van een munt, waarschijnlijk zo genoemd, omdat het een plat, dun schijfje was. In de Middeleeuwen en de 16de eeuw een klein koperen (en soms ook zilveren) muntstuk, waarvan de waarde naar de verschillende plaatsen wisselde. Soms gold de plak een stuiver (b.v. de Vlaamse plak), maar meestal was de waarde slechts een gedeelte van een stuiver. Men had ook halve plakken. Platbek Naam van een vroegere munt, waarschijnlijk de Kleefse zwanenstuiver, waarop een platbek was afgebeeld. Pop Gulden, genoemd naar de 17e eeuwse munt met het beeld van de zogenaamde „Nederlandsche Maagd” en die eigenlijk de pop is, waar men de munt naar noemde. Prikje Een 15de-eeuws muntstuk, ter waarde van 1/8 kromstaart of stuiver. Vergelijk de uitdrukking: Voor een prikje in de betekenis 'voor weinig geld'. Pronkdaalder Een rijksdaalder of een gulden, die een jongen van zijn moeder met de kermis in de portemonnee kreeg, niet om te verteren, maar om er mee te pronken. Punt Oude naam voor een zeer kleine koperen munt met een waarde van 1/6 penning.
Rad mv. radden. Ontleend aan het Duitse bargoens, waarin het reeds in 1716 voorkomt. Het woord wordt verklaard als een verkorting van r(eichs) t(aler) met bijgedachte aan rad. Overgenomen in het Nederlands bargoens, met als betekenis groot muntstuk, met name de rijksdaalder. (vgl. Achterwiel). Reaal Benaming voor een gouden, zilveren of koperen muntstuk. In verschillende Romeinse talen vroeger de benaming voor een „koninklijke" munt (real, regalis). In de Nederlandse gewesten, onder Spaans-Portugese invloed, vooral in gebruik van de 16de tot de 18de eeuw; 'de enkele reaal', 'de reaal van vieren' en 'de reaal van achten' met een waarde van achtereenvolgens één schelling, vier schellingen en acht schellingen Regenboogschoteltje Zekere soort van munt. De zogenaamde regenboogschoteltjes, kleine gouden en soms zilveren plaatjes, die met verschillende afbeeldingen en een enkele maal met nog niet ontcijferd opschrift voorzien zijn. Hun naam is afkomstig van het bijgeloof, dat zij hun oorsprong aan de regenboog te danken zouden hebben, die ze zou uitstrooien, waar hij de aarde schijnt te raken. De gouden Rijder In 1606 voor het eerst gemunt en na 1795 niet meer geslagen. In 1749 werden de hele en halve Nederlandse gouden rijders standpenningen ter waarde van 14 en 7 gulden. Rijksdaalder Benaming voor (gedurende het tijdvak van het midden van de 16de tot het midden van de 19de eeuw) in omloop zijnde zilveren munten, zowel in ons land als in sommige andere landen (Duitsland, Zweden, Denemarken) geslagen; hier nog in gebruik gebleven in toepassing op het zilveren muntstuk van twee en een halve gulden. De oorspronkelijke betekenis komt van: een daalder in het Rijk d.i. het Heilige Roomse of voormalige Duitse Rijk volgens de besluiten van de Rijksdag geslagen, een Reichsthaler. In navolging van de Duitse Reichsthaler werden ten behoeve van de onderlinge handel ook door sommige andere landen (Denemarken, Zweden, Nederland) rijksdaalders gemunt. De rijksdaalder speelde verder een belangrijke rol in de handel met het Oosten. Riks Kort voor Rijksdaalder Rooie rug Bargoens: duizend gulden Royaal Benaming van een zekere oude munt ter waarde van 71/2 cent (3 groot of 12 duiten). Rozenobel Naam van een gouden munt, een soort van nobel met de afbeelding van een roos er op, oorspronkelijk (sedert de 15de eeuw) in Engeland, later (in het laatste kwart van de 16de eeuw) ook in Nederlandse gewesten geslagen, maar in de tweede helft van de 17de eeuw uit de omloop verdwenen.
Scheisken Kleine zilveren munt, de helft van een oord, in Friesland en Groningen geslagen. Schelling Zilveren munt ter waarde van zes stuivers. Deze munten zijn voor het eerst geslagen in Gelderland onder Karel van Egmond. Schrikkenberger Ontleend aan het Duitse Schreckenberger, van de aardrijkskundige eigennaam Schreckenberg. Saksische zilveren munt ter waarde van vier stuivers, die in de 16de eeuw vooral in de noordelijke en oostelijke gewesten in omloop was. Snaphaan Munt ter waarde van ongeveer zes stuivers waarop een ruiter (een snaphaan is een rover of vrijbuiter te paard) stond afgebeeld. Snip Bankbiljet van honderd gulden, zo genoemd naar de afbeelding. Sou Ontleend aan het Frans: een stuiver. Spie Bargoens: een cent Standpenning Munt die tot standaard, maatstaf of model dient van andere munten; munt waarvan de metaalinhoud aan de aangenomen muntstandaard beantwoordt; standaardmunt Statendaalder Daalder met de oorspronkelijke waarde van 32 stuivers, in 1577 voor het eerst geslagen en genoemd naar de (Algemene)Staten. Stevensdaalder Nijmeegse daalder met de figuur van de knielende St. Stephanus. Stoter Muntstuk ter waarde van twee en een halve stuiver. Stuiver Benaming voor zekere munten, voorheen van zilver en een enkele maal van koper) en nu van koper vervaardigd, gewoonlijk ter waarde van twee Vlaamse groten of vijf Nederlandse centen. Het woord stuiver schijnt het eerst in de 15de eeuw in Nederland gebruikt te zijn, en is in de volgende eeuwen in vele muntverordeningen gebruikt, totdat het in de Wet van 28 september 1816 vervangen werd door „stuk van een twintigste gulden, of van vijf cents"; men bleef echter spreken van stuiver en ook voor de rekenmunt bleef men stuiver bezigen. De oorsprong van het woord is onzeker; men heeft het wel in verband gebracht met Stobbe, Stoof, boomtronk, enz.: de eigenlijke betekenis van de naam zou dan zijn (afgesneden) stuk, brok, of iets dergelijks, eigenlijk: hoek (van een grotere munt). (Vergelijk de oorsprong van het woord 'oord'.)
Tuppens Muntje van twee eurocent, ook wel tweecent. Twaalfaard Naam van een 16de-eeuwse Vlaamse munt met de waarde van een oord. Tweuro Muntstuk van twee euro, zie ook: twin, tweetje, dubloen.
Vierlander Vanaf 1434 geslagen stuiver, in omloop geweest in de Bourgondische staten. Vlieger Oude munt ten tijde van Karel V, ter waarde van vier stuivers, genoemd naar de afgebeelde adelaar. Werd ook wel Krabbelaar genoemd. Vlieguit Naam van een oude Brabantse kleine munt, de herkomst van de benaming is niet bekend. Voetdrager Naam van zekere oude munt. De zevende en achtste Penningen, genaamd de hele en halve Voetdragers van Holland, vertonen de keizerlijke arend in de hoogte, met in zijn voeten of klauwen twee wapenschilden. Voorwiel Bargoens: een gulden, verg. Achterwiel Vos Bargoens: een gouden muntstuk. Vossen uit hun holen jagen: zakkenrollen. Vuurijzer (Vierijzer) Kleine, zilveren munt (met variabele waarde: oorspronkelijk 1 stuiver, later meer) geeft als waarde "drij blancken" (= 18 duiten); zo genoemd naar de afbeelding van een vuurstaal, het symbool van de ridderorde van het Gulden Vlies. Vuurtoren Bankbiljet van 250 gulden, zo genoemd naar de afbeelding.
Wisseldaalder Daalder die als rekenmunt wordt gebruikt in betalingsverkeer per wisselbrief. In het volksgeloof: daalder die steeds terugkeert in de zak van de eigenaar wanneer hij is uitgegeven. Ook in de zegswijze: hij heeft een wisseldaalder, ter aanduiding dat iemand op onbegrijpelijke wijze steeds over geld beschikt. Willemke (Ned.-Limb.) Zilveren muntstuk ter waarde van vijfentwintig cent, oorspronkelijk met de afbeelding van koning Willem III, later met die van zijn opvolgers; kwartje. Witje Een halve stuiver, bestempeld met de afbeelding van St. Maarten, heeft Utrecht vanaf 1483 bevolen te munten. Witpenning Zilveren muntje met verschillende waarden; drie oorden (of zes duiten); 5/6 stuiver; 2 schellingen; 1/10 stuiver. Witte stuiver Zilveren muntstuk ter waarde van 5 centen.
Zeeuwse rijksdaalder De Nederlandse rijksdaalder of zilveren dukaat naar de Zeeuwse muntslag, had in Zeeland de waarde van 53 stuivers, in de overige provinciën van 52 stuivers. Ook kortweg Zeeuw genoemd. Zesthalve Zilveren munt ter waarde van 5 1/2 stuiver, zesthalve wil eigenlijk zeggen dat de zesde stuiver slechts voor de helft geldt.
_________________ Middeleeuwse bodemvondsten uit Gent. Boek "Gezocht en gevonden".[/color] http://www.gezochtengevonden.be http://www.lodenpenningen-mereaux.be/
|