Filippo NeriFilippo Neri werd op 21 juli 1515 te Firenze geboren als zoon van een niet al te welvarende notaris, die bovendien nogal wat
geld verkwanselde aan alchemie. Zijn moeder overleed op jonge leeftijd en hij werd opgevangen door zijn stiefmoeder. Zij
bracht hem een blijvende liefde voor het boek en een appreciatie voor cultuur bij. Op achttienjarige leeftijd trok hij naar zijn oom
Romolo in San Germano aan de voet van de Monte Cassino. Geregeld trok hij zich terug om in alle eenzaamheid te bidden en
in 1534 vertrok hij zonder duidelijk omschreven doel naar Rome. Hij werd er huisleraar in het gezin van Galeotto Caccia, een
Florentijns koopman. In de vrije tijd wijdde hij zich aan het gebed en aan de studie van filosofie en theologie. Zijn interessein
mensen en hun leven dreef hem al snel naar de straten en pleinen waar hij in contact kwam met alle soorten mensen. Neri was
geen boeteprediker die grote groepen mensen rond zich verenigde maar hij verkoos de meer persoonlijke aanpak van het
gesprek en de biecht. Hij probeerde het goede in de mensen te stimuleren. Hij sprak de mensen aan in hun dagelijkse
omgeving en probeerde hen zonder dwang en via een persoonlijke dialoog terug te winnen voor Christus. Zonder zich ervan
bewust te zijn was Filippo op die manier begonnen met zijn apostolaat.
Na de lagere wijdingen te hebben ontvangen in de eerste maanden van 1551, werd Filippo op 23 mei 1551 priester gewijd in de
kerk San Tomaso in Parione. Na zijn wijding werd hij lidvan de priester-leefgemeenschap van San Girolamo, de Confraternità
della Carità, een broederschap dat zich toelegde op de zorg voorzieken, armen en wezen. Iedereen was er vrij het apostolaat
te beleven zoals hij het wou. Men kreeg er onderdak en een kleine vergoeding in ruil voor de verleende diensten aan de kerk.
Het hoofdaccent van Filippo’s apostolaat kwamin deze periode steeds meer op biechthoren te liggen. Hij bleef echter veel
belang hechten aan dialoog. Stilaan ontwikkelde zich rondom hemeen groep jongeren die samen de namiddag doorbrachten in
gebed. Met deze vergaderingen voorzag hij in twee noden: de jongeren kregen een bredere geestelijke vorming en hij bood een
alternatief voor de eenzaamheid en verveling van de stad.
Tijdens de bijeenkomsten werd voorgelezen uit een “geestelijk” werk en vervolgens werd het onderwerp bediscussieerd. De
aanwezigen konden vrijuit reageren en zo ontstond een samenspraakdie meestal afgesloten werdmet een korte preek van
Filippo zelf. Aanvankelijk gingen deze bijeenkomsten door in Filippo’s kamer maar door de grote toeloop moest men in
1554/1555 uitwijken naar de zolder van San Girolamo. Deze plaats kreeg de naam “Oratorio” en werd de wieg van de
Congregatie van het Oratorium van de H. Filippo Neri.
Er dient wel op gewezen dat de leden van de “oratorie” op dat ogenblik enkel leken waren. Indien zijn volgelingen aan een
religieuze roeping wilden beantwoorden, stuurde Filippo deze naaréén van de traditionele of nieuwe kloosterorden. Neri had
dus duidelijk niet de bedoeling een nieuwe congregatie te stichten.
In 1564 werd Filippo Neri ondanks zijn verzet pastoor in San Giovanni dei Fiorentini, de kerk van de Florentijnen in Rome. Hier
verzorgden drie leden van de oratorie de diensten, zij waren de eersten die een gemeenschap vormden en leefden in een
woning vlak bij San Giovanni dei Fiorentini. Filippo zelf maakte geen deel uit van die gemeenschap. Hij koos ervoor om in San
Girolamo te blijven wonen. Drie jaar later waren er al achttien leden lid van de gemeenschap.
Sommigen hadden kritiek op de vrijheid die geboden werd aan allen – zowel religieuzen als leken – om uitspraken te doen over
godsdienstige kwesties. Bovendien vonden zij dat er te veel nadruk werd gelegd op de inspiratie in plaats van op de studie. Zij
zagen daarin een bedreiging voor de rechtszinnigheid van de leer.
Na de dood van paus Pius V ebde de kritieken weg. Met paus Gregorius XIII brak een nieuwe tijd aan. Filippo Neri onderhield
nauwe contacten met de nieuwe paus. Deze stelde in 1575 de kerk van Santa Maria in Vallicella ter beschikking aan de oratorie
en de Congregatie van het Oratorium werd opgericht.
De congregatie was van een heel ander type dan de kloostergemeenschappen, die er volgens Filippo al voldoende waren. Het
was geen congregatie van regulieren en de leden legden geen kloostergeloften af. De doelstellingen van Filippo Neri pasten
volledig in het tijdskader van de contrareformatie.De Congregatie van het Oratorium was dan ook niet de eerste of enige
gemeenschap van priesters. Zij reageerden hiermee op het al te mondaine leven van de clerus en waren de motor van de
hervormingen. Naarmate de congregatie bekendheid kreeg, kwam uit verschillende steden de vraag om er een oratorium te stichten. Filippo
Neri was bekommerd om zijn stichting te Rome en wilde geen nieuwe congregaties stichten ten nadele van die van Vallicella.
Hij kon dit echter niet verhinderen en de eerste stichting buiten Rome was deze van Napels. De congregatie van Napels
evolueert al snel naar een reguliere gemeenschap. Filippo aanvaardde een aantal verschillen. Hij gaf echter niet toe aan de
verlaging van de minimum leeftijd van 18 jaar voor novicen en op het punt van een verplichte bijdrage van de oratorianen voor
hun levensonderhoud Deze verschilpunten zouden er de oorzaakvan zijn dat de onderhandelingen bij het opstellen van de
constituties zeer moeilijk zouden zijn.
Niettegenstaande de Italiaanse oratorianen geen overkoepelende structuur kende, werden wel constituties opgesteld. Voor
Filippo Neri volstonden de afspraken die naar aanleiding van concrete gevallen gemaakt waren. Binnen de congregatie groeide
echter de overtuiging dat het raadzaam was om deze losse regels te bundelen en te systematiseren tot een echte regel. Filippo
was van oordeel dat een regel niet kon opgelegd worden van boven af maar dat allen hun mening moesten kunnen verdedigen
vooraleer de reglementen worden ingevoerd. Het decreet van 9 maart 1581, hernomen in 1588 en vervolgens opgenomen in de
constituties stond in schril contrast met de traditionele kloosterregels en legde de basis voor een congregatie waar iedereen op
een democratische manier inspraak heeft. Het dagelijkse leven in het oratorium werd vooral geregeld door gewoonte. De
reglementen waren zeer beperkt en werden niet verder uitgewerkt. Filippo zag er nauwlettend op toe dat de oratorie in de
betekenis van namiddagvergaderingen behouden bleef. Aangezien er voldoende priesters waren, werden de dialogen en
discussies enkel gevoerd door religieuzen. Stilaan werden ook vreemde religieuzen geweerd uit de vergaderingen. Op zon- en
feestdagen was er geen “oratorie” maar kwam men in de namiddag samen in openlucht. Op deze vieringen werden ook
vrouwen en kinderen toegelaten.
In de jaren 1586 ging de gezondheidstoestand van Filippo Neri plots zeer snel achteruit. Hij werd een constant geplaagd door
pijn. Stelselmatig schoof de oude man vanaf 1590 een aantal taken door.
Tijdens één van de pijnaanvallen verscheen hem in 1594 de Heilige Maagd. Na een korte periode van herstel, herviel hij en
stierf uiteindelijk in de nacht van 25 op 26 mei 1595. Na zijndood ontstond onmiddellijk een verering voor Filippo Neri. Er
werden 194 getuigenissen afgeleverd over zijn heiligheid. Op 25 mei 1615 werd hij zalig verklaard en de heiligverklaring volgde
op 12 maart 1622.
Enkele uren na zijn overlijden werd een tekst aangenomen, die gold als het testament van Filippo Neri en waarin de basisregels
voor de gemeenschap vastgelegd werden. De belangrijkste regel is ongetwijfeld deze waarin de congregatie gedefinieerd wordt
als een gemeenschap van seculieren, die geen geloften afleggen.
De definitieve versie zou uiteindelijk pas in 1612 worden aangenomen.
De constituties werden opgedeeld in 10 onderdelen. De eerste drie kapittels behandelen de ‘oratorie’, het gebed en de kerk- en
andere goddelijke diensten. Kapittel 4 behandelt het statuut van de congregatie: niemand wordt door welke band dan ook voor
het leven gebonden aan de congregatie en elke congregatie is volledig autonoom. Het volgende hoofdstuk behandelt de
verkiezing van de proost en deputati. Zij worden verkozen door de gemeenschap voor een periode van drie jaar. Hoofdstuk 6
spreekt over de toelating tot en de verwijdering van leden uit de gemeenschap. Bij toetreding moet men ten minste 18 jaar oud
zijn maar niet ouder 45 jaar. Men mag niet gebonden zijn door een kerkelijke benoeming. Devolgende 4 hoofdstukken geven
een beschrijving van het dagelijkse leven in de congregatie.
Essentieel en vernieuwend in de constituties van 1612 is de onafhankelijkheid van de verschillende congregaties. In 1622 werd
daar nogmaals expliciet aan toegevoegd dat er geen samenwerking tussen de verschillende congregaties kan bestaan. De
bisschop mocht de congregatie zoveel hij nodig achtte visiteren en desgevallend hervormingen opleggen. Hij kon echter geen
leden uit de congregatie verwijderen.
Sinds 1942 hebben diverse congregaties zich verenigd tot een confederatie. Decongregaties hebben echter hun autonomie
bewaard. Regelmatig wordt een generaal congres georganiseerd waarin alle congregaties vertegenwoordigd zijn. Vandaag telt
de confederatie 77 gemeenschappen met in totaal 470 leden.

De stichting van een congregatie van Oratorianen in Scherpenheuvel moet gezien worden in het licht van de contrareformatie.
Het Concilie van Trente was de reactie van de Kerk op de protestantse hervorming en de wantoestanden in eigen schoot. Het
had de hoeksteen van het contrareformatorische bouwwerk gelegd. Het was de taak van de plaatselijke kerken dit gebouw
verder af te werken en te voltooien.
De katholieke hervorming startte in de Zuidelijke Nederlanden pas terdege met de aartshertogen. Albrecht en Isabella stonden
uitermate gunstig tegenover het katholicisme. De bevordering van de katholieke kerkis het hoofddoel van hun leven en regering
geweest. Zij steunden de hervormingspogingen in kloosters en abdijen en waren medeoprichters van het Mariaoord te
Scherpenheuvel.
Aan de definitieve start van de katholieke hervorming staan ook twee aartsbisschoppen. Matthias Hovius en Jacobus Boonen
waren twee Mechelse bisschoppen die de contrareformatie met de totale invloed van hun rijke persoonlijkheid, hun grote geloof
en werkkracht hebben bevorderd.
Het duurde echter veel langer vooraleer de gewone pastoors door hetzelfde apostolisch vuur werden aangestoken. Voor en
omstreeks het Concilie van Trente leefden vele priesters in concubinaat. In het laatste kwartaal van de 16e eeuw tot begin 17e
eeuw had de algemene onzekerheid tot een grote roepingencrisis geleid. Vanaf de eerste decennia beleefde het kloosterleven
een bloeitijd.
Matthias Hovius was nauw betrokken bij het ontstaan van Scherpenheuvel. In 1604 gaf hij de opdracht om de mirakelen van
Scherpenheuvel te onderzoeken en te publiceren. In hetzelfde jaar wijdde hij de stenen kapel. Hij was aanwezig bij de
eerstesteenlegging van de koepelkerken richtte de parochie op.
Volksdevotie bloeide op. Vooral moeder Gods Maria werd vereerd en aangeroepen.
Pas in 1605 kreeg Scherpenheuvel stadsrechten en enkele jaren later, in 1609, werd het een zelfstandige parochie. De
interesse van de Aartshertogen Albrecht en Isabella hebben ongetwijfeld in grote mate bijgedragen tot de uitbouw van dit
nationaal en internationaal heiligdom. In 1603 deden zij een eerste bedevaart naar Scherpenheuvel als dank voor de
overwinning op ’s Hertogenbosch en één maand voor het overlijden uitte Albrecht de wens een laatste maal op bedevaart naar
Scherpenheuvel te gaan.
In 1610 werd de nieuwe parochie opgericht. Tot dan was het afhankelijk van Zichem. Judocus Bouckaert werd de eerste
priester van Scherpenheuvel.
De massa pelgrims, zieken en nieuwsgierigen eisten een groot aantal priesters op. Bij Bouckaert die een fervente voorstander
was van het samenwonen van priesters, rijpte het plan dat een permanent geestelijk corps het efficiëntst aan deze behoeften
zou tegemoet komen. Het was Bouckaert die de hele Scherpenheuvelse onderneming, zowel materieel als geestelijk op de
schouders droeg.
Vanaf 1619 werd Bouckaert deken van Diest. In 1641 zal hij bisschop van Ieper worden in opvolging van Cornelius Jansenius.
Uit de visitatieverslagen van de dekenij blijkt duidelijk dat in de 17e eeuw het doen naleven van het celibaat nog steeds een
probleem was. Ook dronkenschap wordt regelmatig als een probleemgesignaleerd bij de priesters.Het is waarschijnlijk vanuit
deze vaststellingen dat de eerste pastoorvan Scherpenheuvel de idee opvatte een gemeenschap van geestelijken te vestigen.
Bouckaert is de stichter van de congregatie van het Oratorium. In een schrijven van 28 januari 1621 vroeg Judocus Bouckaert
aan de aartsbisschop van Mechelen de toelating een gemeenschap van geestelijken te vestigen.
Bij zijn stichting liet hij zich
inspireren door de congregatie die door Filippo Neri in Vallicella gesticht was. In een uitgave van brieven van nuntius Guido de
Bango vond men aanwijzingen dat de infante Isabella zelf bij de paus een verzoekheeft ingediend omde nodige dispensaties te
verlenen voor de oprichting van de Congregatie van het Oratorium.
Aartsbisschop Boonen ging op de wens van Judocus Bouckaert in en op 12 maart 1624 werd de congregatie opgericht.
Bouckaert verzamelde rondom zich een groep seculieren, die in gemeenschap wilden leven.
De congregatie van Scherpenheuvel werd naar Italiaans model geschoeid, maarwas volledig onafhankelijk. De nodige
erkenningen van de kerkelijke en wereldlijke overheid volgden snel. De eerste proost was stichter Joost Bouckaert. Hij zou het
oratorium gedurende 18 jaar leiden tot aan zijn wijding tot bisschop van Ieper op 14 januari 1642. Ook de volgende pastoors (tot
1828) zouden oratorianen zijn. Op 17 september 1627 verbond de paus het pastoorsambt aan de Congregatie van het
Oratorium.
Het is ongetwijfeld omwille van het belang van de contrareformatorische gedachte dat Bouckaert de voorkeur gaf aan een
nieuwe orde in plaats van aan een traditionele vereniging van priesters. Het was veeleer de bedoeling de priesters een structuur
te bieden waarbinnen ze konden leven. Het was ook belangrijk dat het heiligdom verbonden bleef met het aartsbisdom.
De oratorianen zongen het officie, verzorgden de sacramenten en de kerkdiensten voor de bedevaarders, beheerden de
kerkfabriek en hadden vruchtgebruik van de kerkgoederen. Gezien de nationale en internationale uitstraling van het
bedevaartsoord overschreed hun pastorale invloed de grenzen van hun parochie. DeCongregatie van het Oratorium bleef
echter afhankelijk van het aartsbisdom.
Kort na de erkenning van de congregatie begon men aan de bouw van het klooster dat deel uitmaakte van de vestigingswerken
van Scherpenheuvel. Volgens de gravure inSanderus was het klooster een sober vierkant gebouw bestaande uit drie vleugels
en met één verdieping. De linkervleugel was bestemd voor de oratorianen terwijl de rechtervleugel voorbestemd was als
residentie voor de vorsten. In het midden tussen beide vleugels werd de huiskapel opgetrokken. Om gemakkelijk de kerk te
bereiken maakte de bouwmeester een gewelfde galerij, die aan de voet van de heuvelgedeeltelijk onder de grond verdween en
loodrecht uitgaf in de sacristie achter het hoogaltaar. De grootste bouwwerken brachten de oratorianen in zware financiële
problemen.
Daar waar Filippo Neri de Congregatie van het Oratorium gesticht had in het kader van de bepalingen van het Concilie van
Trente en met de bedoeling de hervorming van de geestelijkheid te ondersteunen, stelde het aartsbisdom bij het begin van de
18e eeuw vast dat de oratorianen van Scherpenheuvel een toonbeeld waren van zedenverval. Kanunnik van Susteren kreeg de
opdracht in 1713 om er de discipline te herstellen. Uit visitatieverslagen van aartsbisschop d’ Alsace blijkt dat de observantie
pas hersteld werd omstreeks het midden van de 18e eeuw.
De oratorianen te Scherpenheuvel legden zich niet enkel toe op zielzorg maar waren ook actief betrokken bij de opvoeding van
de jeugd. Niet alleen het middelbaar, maar ook het lager onderwijs berustte in hun handen.
In 1787 telde de congregatie 13 priesters en 7 lekenbroeders. Beducht voor de gevolgen van een Franse bezetting vertrokken
twee paters met een aantal kostbare voorwerpen en documenten naar Nordstrand. Enkele jaren na hun aankomst werd het
klooster door een brand is as gelegd. Op 1 september 1796 werden alle kloosters afgeschaft door de Franse bezetter. De
gebouwen werden genationaliseerd en verkocht. Vier oratorianen werden gedeporteerd naar het eiland Ré en vonden er de
dood. Proost Van Bael werd ook opgepakt maar kon ontsnappen door in de Demer te springen. Na het concordaat keerde Van
Bael samen met drie andere oratorianen die eveneens aan de deportatie hadden weten te ontsnappen, naar Scherpenheuvel
terug en heropenden er de kerk. De congregatie stierf langzaam uit. De laatste oratoriaan-pastoor was Aertgeerts. Met hem
stierf de laatste oratoriaan in 1828.
Momenteel is er in België geen enkele Congregatie van het Oratorium meer. De congregatie bestaat nog in Zuid-Europa, Italië,
Spanje, Frankrijk maar ook in Zuid-Amerika en recent ook opnieuw in Maastricht. De congregaties zijn nog steeds onafhankelijk
van elkaar maar vormen wel een confederatie.