Hey Godfried,
Deze post van jou heb ik precies gemist, maar je mogelijke determinatie zou goed kunnen. Knap gedaan

.
Zie hieronder antwoord van een wapenexpert:
Een kaliber van .79 (ongeveer 20 mm) was vrij gebruikelijk in de periode 1600-1700. Echter, het gebruik van ijzer voor musketkogels is inderdaad hoogst onwaarschijnlijk: het is te hard en mist de densiteit om voldoende energie over te dragen.
Behalve in uiterste nood werd ijzer of staal gebruikt ter vervaardiging van kleine projectielen. Lood was, ook in die periode, de meest gebruikte en geprefereerde grondstof voor munitie van handvuurwapens. IJzeren kanonskogels vormen hierop een duidelijke uitzondering.
Waar kleine ijzeren bollen wel voor gebruikt konden worden, was bij zogenaamde ‘cannister’- of ‘grapeshot’-munitie. ‘Cannister’ bestond uit een dun metalen blik gevuld met loden of ijzeren ballen, soms met een extra lading om het blik te laten barsten. ‘Grapeshot’ was vergelijkbaar, maar opgebouwd uit een houten basis en een zak met loden of ijzeren kogels, samengebonden zodat het geheel op een tros druiven leek.
Los daarvan bestaat ook de mogelijkheid dat het voorwerp in kwestie geen militaire oorsprong heeft. Het kan bijvoorbeeld een contragewicht van een stoommachine zijn geweest, of een kogellager uit landbouw- of industrieel materiaal. In de mijnbouw en zware industrie werden bijvoorbeeld grote hoeveelheden gebruikt in “ball mills” om ertsen te verpulveren.
Afhankelijk van de regio is het zelfs waarschijnlijker dat we hier te maken hebben met een oud, verloren of afgedankte kogellager van een machine.
Mvg,
Denier